Hoendiep

De Lijempf te Briltil, verhaal

De ”Lijempf ” te Briltil

Met betrekking tot de in Zuidhorn bedreven nijverheid zegt G. H. Ligterink, op blz. 267 van zijn boek ”Tussen Hunze en Lauwers”, welke in 1968 verscheen, dat de in 1891 gebouwde stoomzuivelfabriek te Briltil, de enige fabriek van betekenis is, welke zich heeft gehandhaafd en zelfs uitgebreid. Hij kon toen niet weten dat slechts enkele jaren later (1970) deze fabriek opgeslokt zou zijn door een ander groot concern, n.l. de Domo. Er wordt vermeld dat de stoomzuivelfabriek in 1891 is gebouwd. Op blz. 35 van het fotoboek, uitgegeven door de Rabobank, kunnen we lezen dat de Lijempf in 1914, de toen bestaande margarine- fabriek ”De Noordstar” overnam, welke als handelsmerk in haar banier voerde ”De Zwaluw”. Hiervoor zou er een zuivelfabrieken geweest zijn, op een min of meer Coöperatieve basis, van een aantal samenwerkende boeren. In ieder geval was het toen géén Lijempf. Machinist bij ”De Noordstar” was Gjalt Bergsma uit Niekerk. Margarine-

maker waren Hendrik Top, die woonde aan het Niekerkerdiep en Kornelis Buiter uit Zuidhorn. Alvorens iets te vertellen over de fabriek te Briltil, zij vermeld dat deze één van de vele fabrieken was, welke deel uitmaakte van het Lijempfconcern, gevestigd te Leeuwarden. Het woord Lijempf is een afkorting van de woorden Leeuwarder IJs En Melk Producten Fabriek. De producten van de fabriek te Briltil waren boter en gecondenseerde melk. Kaas werd er in de jaren 1929-1930 niet meer gemaakt. Deze werd aangevoerd van andere fabrieken, evenals het afvalproduct van de kaas, n.l. wei. De fabrieken, welke tot het Lijempfconcern behoorden, waren in alfabetische volgorde al vermeld op de zijkant van het wit kartonnen doosje, waarin de boter was verpakt. Het waren in totaal wel zo ongeveer 20 stuks. De Groninger fabrieken waren: Briltil, Doezum, Tolbert en Winsum. De melkfabriek te Briltil was een begrip voor Zuidhorn en omliggende plaatsen. (Veel werknemers woonden in Niekerk en Faan). ’s Winters en ’s zomers werkten er doorgaans zo’n 80-100 personen.

Als je bij de Lijempf werkte, zat je wel goed. Wat kon er gebeuren met een zo kolossaal bedrijf? Ik heb zelf 1 ½ jaar gewerkt op het laboratorium, n.l. van juli 1929 tot december 1930. Op een donderdag haalde ik mijn Mulo-diploma en maandags daarop ging ik aan de slag. Vakantie was er niet bij. Je was allang blij dat je werk had. Mijn aanvangsloon was 5 gulden per week. Het was gebruikelijk dat de lonen van de werknemers, die nog niet op een maximum stonden, in april van ieder jaar werden bekeken. Ik kreeg in april 1930 een loon van f 7.-. Het maximum loon van de vak mensen lag toen tussen de f 20.- en f 25.- per week.

Direkteur was toen de heer S. van der Wal. Onderdirekteuren waren Lettinga (zuivelafdeling) en Gietema condensafdeling). Vermeld worden de bedrijvigheden en de namen van een aantal personen in voornoemde periode.

Alle namen te noemen is niet te doen. Gesteld wordt dat de niet genoemde personen èven belangrijk zijn als de wèl genoemde. De melk werd aangevoerd uit de wijde omgeving met eigen auto’s, maar grotendeels door melk rijders, die van jaar tot jaar een ”melkrit” aannamen.

Met eigen auto’s werd de melk opgehaald van Haren, Middelhorst, Waterhuizen en Onnen. Chauffeurs waren Jouke Lodewegen, Harm Hijmersma, Job Linstra en Arie

Rademaker. De melkrijders voerden de melk aan uit de omgeving van Briltil, zo ongeveer met een straal van 10-12 km rond Briltil (Midwolde-Oostwold-Hoogkerk-Dorkwerd-Den Ham-Humsterland-Gaarkeuken-Lutjegast). De namen van alle melkrijders en hun route vergt te veel ruimte.

Enkele van hen wil ik later nog noemen. Er waren twee ”melkontvangsten” d.w.z. er konden twee ritten gelijktijdig gelost worden. Dit geschiedde in volgorde van aan komst aan de fabriek. Over de ”aankomst” later. Melkontvangers waren in die tijd Klaas Reinders, R. Hamstra, H. van der Veen en H. van Hoogen. De melk werd in een bak gestort en gewogen (de bak was tevens bascule) en gelijktijdig werd een monster genomen ter bepaling van het vetgehalte. Daarna werd de melk naar boven gepompt, gepasteuriseerd en door centrifuges afgeroomd.

De room kwam via roomkoelers in de roombakken van de botermakerij terecht. De rest werd voor andere doeleinden gebruikt en wel hoofdzakelijk voor de bereiding van gecondenseerde melk. Centrifugist was H. Dijkstra (reserves J. Ritsema en H. van Hoogen). Chef-botermaker was Luut Wegter. Kaasmaker was Jan van Dijk, maar omdat er geen kaas meer werd gemaakt, werd hij voor andere werkzaamheden ingezet (botermakerij-melkontvangst). Als de melkwagens gelost waren schoven ze door naar de karnemelk- en weitapperij. Veel leveranciers gebruikten deze bijprodukten als veevoer of voor bereiding daarvan. Tapper was Louwe Top. De condensafdeling lag zuidelijk van de zuivelafdeling. Condenseurs waren F. en J. Veldman, M. en T. van Dijk en Lippe van der Velde. De gecondenseerde melk werd in grote ijzeren vaten, van 200 liter inhoud, per boot naar Leeuwarden vervoerd en daar verwerkt. Voor dit vervoer waren er twee grote motor-zolderschuiten (slof genoemd). Kapiteins Wiersma en van der Hoek. Voor het vervoer tussen de Groninger fabrieken onderling waren er ook nog twee kleinere bootjes van dezelfde bouw (melkbootjes genoemd) Kapitein hierop waren Jan Top en Hein Zeeman. Laatst genoemde was eigenlijk kaaskamer. De fabriek had zijn eigen timmerwerkplaats (Kl. Werksma), smederij (Kees Werksma), montageafdeling (Ph. van der Hoek), kuiperij (Th. Hogendijk). Dan was er nog de spoelplaats (G. Aalders ) en natuurlijk de stokerij en de machinekamer (G.

Bergsma). De machinekamer was de trots van de oude Bergsma. Alles blonk en je kon er wel van de vloer eten, zo schoon. Direkteur van der Wal had zijn kantoor in zijn naast gelegen woonhuis. Behalve de onderdirecteuren Lettinga en Gietema zetelden in die tijd op het kantoor de boekhouder Friso, Herman Roeters en Hein Vondeling.

Chef van het laboratorium was H. Folkerts (melkcontroleur) Reservecontroleur was H. van der Veen. Verder werkte er H. Rozema, terwijl ik als jongste bediende fungeerde. Maandagsmorgens werd er om vier uur begonnen met de bepaling van het vetgehalte van het in de voorafgaande week geleverde melk. Als 15-jarige mocht ik, volgens de toen geldende arbeidswet, niet voor half acht beginnen te werken. Dit geschiedde echter wèl. Ik had opdracht mij te verschuilen in geval van controle op de arbeidstijden. Eénmaal heb ik de benen moeten nemen toen er een waarschuwing kwam vanaf de melkontvangst.

Verdere werkzaamheden waren het bepalen van het vetgehalte van room (voor de botermakerij en voor consumptiedoeleinden), het bepalen van het suikergehalte van de gecondenseerde melk, het maken van strijkjes ten behoeve van een streptokokken-onderzoek. De strijkjes werden dan in houten kokertjes opgezonden naar een bureau in Den Haag. Hiervoor zorgde het kantoor. Verder vond er eens per maand van iedere leverancier een vuilheidsproef plaats. Er werd dan een monster getrokken van één liter op de melkwagen. Uit vorenstaande blijkt dat een aantal personen meermalen genoemd zijn. Ze waren wel de allrounders, zoals H. van der Veen, H. van Hoogen, I. van Dijk, R. Hamstra.

Overgenomen uit het boek “Herinneringen aan Zuidhorn” geschreven door de heer J. de Wit

De Lijempf te Briltil (2)

Ik vermeldde dat de melkrijders in volgorde van aankomst werden gelost. Nu, deze aankomst verliep nogal eens in de wedstrijdsfeer. Als een melkrijder bv. uit de richting Zuidhorn kwam, kon hij zien of er een collega melkrijder uit de richting Enumatil of Noordhornertolhoek kwam. Nu, als dat zo was, dan ging de zweep erover, want iedere verslagen collega scheelde weer een half uur in wachttijd.

Bij de brug op Briltil gekomen ging het wel eens op twee wielen door de bocht, zodat de bussen met melk eraf slingerden. Gerrit van der Maar had de melkrit van de Gaarkeuken en de Noordhornerga. Hij had meestal een afgedankte harddraver voor de wagen. Misschien minder sterk, maar wel snel. Als de afstand gelijk was won hij dan ook meestal de race, maar eens toen hij in de strijd tegen een collega uit de richting Zuidhorn gelijktijdig bij de brug aankwam, werd hij van de weg gedrukt met gevolg dat paard, wagen en de gehele vracht melk in het Hoendiep terecht kwamen naast de brug. Er vond zelfs wel eens een wedstrijd plaats in het dorp.

Van de richting Frieshchestraatweg kwamen een zestal melkrijders. Als deze achter elkaar reden dan kwamen ze in aktie bij het naderen van de Nieuwstraat. De één ging dan via de Nieuwstraat en de andere via de Frankrijkerlaan en wie dan maar het eerst de Brilweg bereikte. Het was dan wel zaak om ruimte te maken, vooral als er ook nog een aanhangwagen achteraan bungelde. Een andere melkrijder was Jan van der Werf. Hij had één van de grootste en ook één van de verste melkritten. (Adorp, Wierumerschouw, Oostum). Als er sneeuw lag had hij soms vier paarden voor de wagen. Pekelen was er in die tijd niet bij. Op zijn mooist had een sneeuwploeg de sneeuw wat oprij geschoven. De melkrijder, die het dichtst bij de fabriek zat, was Jetse Holst. Hij haalde de melk uit het zuiden van Zuidhorn en uit het dorp zelf, alsmede van de westzijde van het Hoendiep, tegenover de fabriek. Hij woonde aan de Brilweg (zie blz. 24 fotoboek Rabobank). Jetse was de komiek onder de melkrijders. Hij kon er zo droog mee aankomen.

Als de melkrijders hun beurt moesten afwachten, “groepten” ze vaak bij elkaar. Toen ik op een zaterdagmorgen op een wagen stond om monsters te trekken voor de vuilheidsproef. liet Germ Gorter (bijnaam Germ Hondje) één van zijn honden een in het Hoendiep geworpen stok uit het water halen met goed gevolg. Jetse vond deze prestatie maar matig voor een hond en hij stelde voor hetzelfde te doen als ze (de aanwezige melkrijders) f5.- zouden zetten.

De collega’s, die aan bluf dachten, stemden met het voorstel in. Jetse sprong zo gekleed te water, haalde de stok uit het water en ging lopende naar huis in zijn natte plunje, onder de mededeling: ”jullie maken mijn wagen wel even leeg he? Een uur later was hij terug en merkte op: ”dat was gauw verdiend en ik moest mij vanavond toch verschonen. Dinsdags koppelde hij kleinere wagen aan, waarop een grote blauwe houten bak stond met een koperen kraan. Die bak had een inhoud van naar schatting zo’n 800-1000 liter. De bak kwam vol karnemelk. ‘Als hij de lege bussen terug had gebracht naar de boeren kwam het paard voor de kleine wagen en al bellende ventte hij dan door het dorp. De huisvrouwen kwamen dan aan met emmers en/of pannen en namen dan soms wel 10-15 liter karnemelk en maakten dan karnemelksepap voor de gehele week. Zo was het althans in onze woonbuurt. Pap, yoghurt, vla en dergelijke in flessen was er in die tijd niet. Hendrik Drenth haalde de melk wel het verst weg. Hij kwam bijna tot aan Assen, uiteraard in een auto De eerste vrachtauto van de Liiempf zelf was een duitse legerauto, merk ”Horch” met massieve banden. De tweede was eveneens een duitse vrachtauto merk ”Arbenz”. Deze auto had een kettingaandrijving. Er was vaak trammelant met deze krengen, zoals Jouke Lodewegen ze noemde. Dikwijls bleven ze onderweg staan met een gebroken dit of dat. Dan moesten na een telefoontje, Ph. van der Hoek en Eilt Bakker er op hun fiets op af om de auto weer aan de loop te krijgen.

Van der Hoek was de man, die veel verbeteringen aan bracht, welke dan meestal ook vereenvoudigingen waren.

Indien er toen een ideeënbus geweest was zou hij een vaste klant geweest zijn. De melkrijders benutten hun wachttijd nogal eens om een paard te laten beslaan bij smid Koopman (de grondvester van het Internationaal Transportbedrijf Koopman B.V.). Deze woonde aan de weg naar Zuidhorn, ongeveer een paar honderd meter van de brug. Voor de belangen van de boeren was er Ite van Til. Hij moest er op toekijken dat de leveranciers aan hun trekken kwamen bij de weging van de melk, het monster nemen en de bepaling van het vetgehalte. Er kwam ook eens een vetgehalte tevoorschijn van meer dan 6% van de melk van een kleine boer/arbeider van Pasop. Een onderzoek wees uit dat de man ook de zeer vette geitemelk in zijn melkbus deed. Nu de overname van de margarinefabriek, in 1914, moest overgeschakeld worden op het maken van boter en kaas. Hiertoe haalde directeur van der Wal, die zelf uit Duitsland gekomen was, een zekere Klaas van Dijk uit Friesland. Hij stond bekend als een buitengewoon goede vakman. Van der Wal kende hem uit zijn Friese tijd. Hij was kaaskamer en leerde dit vak onder andere aan Westerhof, J. van Dijk en H. Zeeman.Hij zelf nam de leiding van de botermakerij. Botermakers waren Feike de Jong, Geert van der Molen en de oude margarinemaker H. Top. Laatstgenoemde en de oude machinist Bergsma waren de laatsten, die indertijd van “De Noordstar” waren overgenomen.

De laatste alinea heeft betrekking op de aanvangsjaren en niet op de jaren 1929-1930. In 1970 werd de fabriek overgenomen door de Domo. welke de fabriek verkocht aan de kaasgroothandel “De Lauwers’,directeur Andringa. De leveranciers werden verdeeld o.a. reeds onder de Domo staande fabrieken n1. Gerkesklooster, Marum en ”De Ommelanden” te Groningen. Een aantal werknemers, die gehoopt hadden hun pensioen te Briltil te halen, werden nog genoodzaakt naar andere fabrieken, buiten hun woonplaats te gaan werken. Al met al een belangrijk verlies aan werkgelegenheid voor de gem. Zuidhorn en Oldekerk.

Overgenomen uit Herinneringen aan Zuidhorn door dhr J. de Wit