Zoeken

Anco Wigboldus

Anco Wigboldus

Interview met Anco Wigboldus
Tekst van internet overgenomen

HENDRIK de JONG, HENK van VEEN, WAkkerl IN DE WERELD IS BETER DAN DE DROOM VAN HET KLOOSTER

Interview met Anco Wigboldus.

Änco Wigboldus werd in 1900 te Zuidhorn geboren. Al vroeg ontwikkelde zich bij hem een grote belangstelling voor architectuur en kunst.

Nadat hij zich in de schilderkunst bekwaamd had, volgde een leven van hard werken. Na veel omzwervingen en tegenslagen, kreeg het leven van de kunstenaar een beslissende we ding door een ontmoeting met de Duitse kasteelheer Wolfgang von Alvensleben. Wigboldus voerde de opdracht een kasteel van zijn geslacht uit te beelden naar wens uit. Maar belangrijker nog was dat een geheel eigen stijl wortel schoot, nl het uitbeelden van kastelen in vogelvlucht.

Snel begonnen nu de opdrachten van duitse Fürsten binnen te komen om hun heerlijkheden in beeld te bewaren.

Wigboldus leerde het leven van de Duitse adel van zeer nabij kennen.

Hoewel hij vele jaren als tekenleraar werkzaam was, bleef zijn grootste liefde uitgaan naar de kunst.

De mediamiek geleide kunstenaar sprak openhartig met Groniek over zijn dromen, zijn teleurstellingen en zijn triomfen.

Over zijn jeugd.

Dat was een geëxalteerde tijd, die in mijn jeugd nog zo was, dat kastelen niet hoog genoeg waren en eigenlijk in de hemel moesten eindigen.

Een van de fantasieën uit mijn jeugd was dat de ridder de stad moet bezoeken, waar hij zijn intellect moet verscherpen. Dan reist hij van de stad weer naar een kasteel, om daarna een draak te verslaan. En dan eerst komt het “Huis der Huizen” te voorschijn, het “Huis met de vele woningen” •

In mijn jeugd al wilde ik dromen realiseren. Je kunt natuurlijk niet alle meesters dienen. Als kunstenaar ben je misschien zo verliefd op zoveel mogelijkheden dat je verward raakt, en je soms het gevoel hebt dat de engel moet komen om je uit de brandende stad der vele mogelijkheden weg te helpen.

Over zijn romantische verbeelding van duise kastelen.

Als ik de bejaarde bewoonster daar zo zie, dan wil ik graag haar wereld bewaren. Ik wil graag

een tekening maken: daar wandelt ze, daar komt ze de paarden tegen, daar komt ze de zwanen tegen en als ze op de hof loopt ••• oh! daar zijn mensen bezig het dak te dekken. Daar komt het bezoek aan, haar erfgenaam komt met de auto het erf op rijden. Ik wil dan graag dat verhalende beeld bewaren.

Hoe bent u ertoe gekomen kastelen in vogelvlucht uit te beelden en bent u daarin uniek?

Uniek is een dik woord. Ik heb geloof ik, nauwelijks collega’s op mijn terrein. Hoogstens misschien de heer Hofker. Die doet het niet vanuit de lucht, maar tekent heel prettig kastelen.

Ik had altijd veel liefde voor de architectuur en in 1929 kreeg ik een opdracht om in Italië copiëen te maken voor een familie. Daarmee kon ik het geld verdienen om mijn architectuurstudies een beetje te botvieren.

Ik ben het architectenberoep ontweken hoewel iedereen zei: “Je zou architect moeten worden

met jouw liefde voor de architektuur”. Maar het commando te voeren en altijd maar nakijken of de mensen hun plicht wel doen, om die geldberekeningen te maken, dat was mijn talent

niet, dat voelde ik al wel. Toen ik dacht hoe kan ik dat ooit in mijn leven te pas brengen en geen mogelijkheid zag, toen kwam ik Dr. Udo von Alvonsleben tegen. Hij gaf mij gelegenheid een tekening te maken van een kasteel uit zijn geslacht voor een boek dat hij schreef. Het was een heel boeiend huis. In het boek heb ik illustraties gemaakt. Daar waren overzichten voor nodig, en toen kwamen wij tot de conclusie dat om het kasteel in zijn aanleg en constructie het beste te begrijpen, men weer zoals de Fransen dat altijd deden, het kasteel met zijn entourage moest uitbeelden.

Hoe gaat het tekenen in vogelvlucht in zijn werk?

Jaah, een kwestie van ervaring en rondwandeling. Je krijgt dan het gevoel hoe het allemaal in elkaar zit. Dat je de hele functie kan overzien, daar is het om begonnen. En dat hebben mensen graag van hun huizen.

U zult wel zeggen, wat een saaie piet om dit allemaal te doen, maar er zit ook een stuk cultuurgeschiedenis in, als het ware een historische vastlegging van het oord.

Bovendien moet men architectonisch belangrijke punten goed laten uitkomen, alles harmonisch verdelen over het vlak en storende boomgroepen eventueel iets verschuiven.

Kunt u iets vertellen over “DEPLOEG” (een kring van groninger kunstenaars) van voor de oorLog?

Weet·u, voor de Tweede Wereldoorlog waren ze allemaal nog een beetje gegrepen, en dat heeft ook lang geduurd, door het Duits expressionisme, waar de leden allemaal deel aan hebben gehad. En ik was in Den Haag opgevoed en ik moet zeggen dat er in mijn geest altijd iets overgebleven is – waarschijnlijk ook door mijn reizen naar Italië – van de klassicistische grote lijn, van de stijlen. Ik heb zoveel gevoel voor discipline meegekregen, dat ik niet in alle psychologische zijtakken, als zij niet de esthetiek beoogden, ben meegegaan. Ik was toch wel

echt een estheticus. Ik heb misschien wel een beetje geleden aan mijn al te klassiek gevoel. Ik weet nog wel, dat kwam eens een keer op de Ploeg tot uiting; toen zaten we te tekenen en ik gebruikte even bij “ongeluk” “Grieken”. Toen zei een van de leden:”Ach Anco, de Grieken zijn al tweeduizend jaar dood~’. Daarmee wou hij een streep zetten. Ik zei: “Ach maar Jan, als jij al tweeduizrnd jaar dood bent, dan leven de Grieken nog.

Welke figuren uit de Ploeg van die tijd hebben nog waarde voor u?

Ach, het is zo moeilijk over die waarden te spreken; zij hebben alle hun intieme waarden. Ik heb zoveel brood-en prestatienijd ervaren in de kunstenaarswereld dat ik over die zwakheden helemaal niet graag praat. Bijvoorbeeld het klein maken van een ander in de krant, als ze de macht daartoe kre5en. Zolang je jong bent, kan een profeet nauwelijks geëerd worden in zijn eigen vaderland, zo wordt hij geremd in zijn mogelijkheden. Het is een gunst dat hij uit deze cirkel uit mag groeien. Ik ben eigenlijk in zekere zin wel blij dat ik werk doe, dat niemand misschien wil doen; en daardoor ben ik ook niet benijd. Dat is een zeer rustgevend idee.

DE WERELD VAN DE DUITSE ADEL

U had ook opdrachten van vorstelijke personen, zei u?

Die vorstelijke personen waren o.a. de Zu Dohna’s. De Zu Dohna’s speelden een grote rol roeger in de Nederlanden. De vrouw van Frederik Hendrik,u weet wel, heette

Amalia van 301ms. En Christoph zu Dohna was getrouwd met Ursula von Bolme, haar zuster. De Dohna’s zijn op last van Frederik Hendrik, die het zo druk had met oorlog voeren, stad-

houder geworden in Orange en later toen Orange werd opgeheven, zijn ze via Zwitserland naar Oost-Pruisen teruggekeerd, waar hun oorspronkelijke zetel was. Daar bezaten ze twee

kastelen, het ene heb ik twee keer geschilderd en dat is verbrand. Daar waren veel Oranjeportretten.

Ik had nooit gedacht dat lk met hen in verbinding zou treden, maar zij hadden bij hun familieleden mijn tekeningen gezien en hadden gezegd:”Die moet dat doen”. En zo ontstond

het Huis Schlobitten en nu ook Schlodien.

Hoe was de verhouding tot uw duitse opdrachtgevers?

Wat de strijd tussen Frederik de Grote en Voltaire zo kenmerkte dat heb ik altijd onthouden.

Op een zeker moment had Voltaire geen lust meer om de gedichten van de koning bij te vijlen. Want zo n majesteit, die gebruikt dan natuurlijk het talent van Voltaire, begrijpt en

geeft het als zijn eigen. Toen had Voltaire waarschijnlijk ook wel eens het gevoel dat hij uitgebuit werd en hij zei dan hij geen lust had de vuile was van de koning te doen.

Voelde u zich soms ook niet een beetje een Voltaire?

Het was natuurlijk een ietwat wrange reactie van de koning, toen hij zei:”Als je de citroen hebt uitgeknepen gooi je de schil weg”. De verhouding van de kunstenaar tot zijn opdrachtgever heeft een lange traditie. Een opbouwend contact in de samenwerking kan alleen de altijd dreigende wrijvingen overwinnen, en zo was het ook hier. Veel mensen zijn

natuurlijk Pruisisch opgevoed in de oude tijd, die zonder dat begrip niet kunnen leven. Er was een grote gehoorzaamheid.

Als je iemand in dienst had, dan moest hij het karakter van de heer vertolken en daaraan geen persoonlijke interpretatie geven. Dat is wat mij spijt, want ik geef tot de dood toe persoonlijke interpretaties.

Dertiger jaren in Duitsland. Oorlogsdreiging en oorlog.

Het was een heel moeilijke periode. Het was in de huizen natuurlijk ook zo, dat je niet wist wat je tegen je heren moest zeggen. Die hadden al de Eerste Wereldoorlog meegemaakt,

zoals Von Alvonsleben die drie jaar ouder was dan ik. Daar was de kwestie, dat bijna al die bedienden S.A. mensen waren en hijzelf was Hauptmann geweest in de vorige oorlog, als heel jong mens. Dan wist je niet wat je tegen je gasten moest zeggen. Ja, als er nou een oorlog

uitbtreekt, dan moeten er altijd mensen zijn die dat ten goede keren, dus je kunt je niet helemaal afzijdig houden. Je moet altijd tot een garde behoren, die …. eh ja…. als je onder je bedienden staat die dan zo alles dicteren, dan heb je nièts meer te zeggen. Je moet altijd

in zekere zin, al is het met voorbehoud een positie bekleden. Als je het gevoel hebt wat menselijk is moet je daarvoor vechten. Ik heb het gevoel dat mijn vriend Von Alvonsleben

de oorlog mede heeft gebruikt om zijn mensen te helpen; hij moest inkwartiering verzorgen. Ik heb brieven tot uit Stalingrad waar hij gewond uit weggestuurd is, en toen heb ik hem nog vaak gezien.

In de oorlog?

Mijn vrienden van de ondergrondse wisten dat ik deze contacten had en ik vond het leven reuze gevaarlijk.

Het boek dat we altijd beloofd hadden te zullen uitgeven, daar was ik mee klaar, maar hij (Von A.) nog niet. Toen benauwde het mij in de oorlog, dat deze op komst zijnde vrocht nooit begrijpen zou. Ik heb toen aan de Duitse Wehrmacht geschreven dat ik met iemand, die net gewond uit Stalingrad teruggekeerd was werk maakte. En dat ik graag een bespreking

wilde wat ik met het boek moest doen voor het geval hij niet levend uit de oorlog zou terugkeren (hij heeft de oorlog overleefd). Zo was ik daarmee bevat, dat men die gelofte

gestand moest doen. Plotseling kreeg ik op de verjaardag van Von Alvonsleben, dat was voor mij als het ware ook een teken, een brief van de Wehrmacht. Ik kreeg met onmiddelijke

ingang verlof om drie dagen naar Duitsland te gaan. Ik heb mijn ouders gezegd dat ik naar Den Haag ging, en ik heb mijn vrienden van de ondergrondse gezegd:” Ja, ik sta voor dat

geval”. En ze zeiden:”Ja, je moet erheen gaan”. Toen heb ik midden in de oorlog dat nog met mijn vriend kunnen bespreken. Daar is het boek uit voortgekomen. (“Alvonslebensche Burgen

und 1andsitze”, Dordtmund, 1961).

Omdat hij moest vluchten van zijn goederen, heb ik hem aangemoedigd dat we het toch deden.

Hoe was uw verhouding tot de adel na de oorlog?

Die verhouding met mij was dezelfde. Zij zijn mij reuze dankbaar geweest, dat ik zoveel cultuurwaarden gered heb door de tekeningen. Ik had alles in beeld gered, wat zij verloren

hadden. De familie Von Alvonsleben verloor alles. Het werk dat ik deed stond buiten de oorlog.

De adel had een zware slag gehad. Was het te merken dat ze sterk verpauperd waren?

Ach weet u, ze hadden zo’n bewustzijn van levensstijl, dat ze ondanks alle soorten behoeftigheden hun houding nog wisten te bewaren. Maar als ik in 1utzburg kwam, bij

Fürst zu Inn und Knyphausen, dan was het huis overvol van vluchtelingen.

Mensen die nog volledig het oude keizerrijk hadden meegemaakt. Als ik daar aan tafel zat, lieten sommigen die een keer uitgenodigd waren te eten, zien uit wat voor heerlijke kastelenn

ze stamden. En dat ze nou tevreden moesten zijn met een héél klein kamertje bij de schoenmaker in het dorp.

De constante discipline. In die grote Huizen was het doodstil. Als dan de bel ging voor het eten, dan ‘stroomden in al die kamers mensen. Dan kreeg je, nou ja, wat de pot schafte: zo, eh ..aardappelsoep, hier en daar dreef een stukje peterselie. Was heel moeilijk.

Is uw visie op de geschiedenis beïnvloed door uw contacten met de adel?

Het is natuurlijk zo dat ik een kunsthistorische opvoeding gehad Op wonderbaarlijke wijze kwam in in steden met een intellectuele kliek samen. Dat lag aan mijn natuur en misschien ook aan mijn gevoel voor charm, dat men misschien bij zekere standen vindt. U weet zelf wel dast de kunstgeschiedenis het illustratieboek van de geschiedenis is. Door de kunstgeschiedenis heb ik de geschiedenis leren kennen. Ik had vaste punten aan bouwwerken, die die of die strijd hadden meegemaakt. Je hebt dan ook het gevoel dat je mediamiek

dikwijls geleid wordt van historisch punt tot historisch punt.

Voelde u het dat deze adellijke figuren vaak zo een roerige geschiedenis achter zich hadden?·

Nee, beheerste persoonlijkheden. U moet bedenken dat die in hun huizen ook kleine vorsten waren over hun bezit. Dat waren niet zomaar luxe-mensen die zo in het wild leven.

Die hadden natuurlijk een discipline betreffende hun bezitting van kind tot kind meegekregen, om te weten hoe men dat ordelijk besturen moest.

Wat is de meest opmerkelijke figuur die u ontmoet hebt binnen de Duitse adel?

Dr. Udo von Alvensleben, die ook door zijn werk een grote naam heeft gekregen, was wel de belangrijkste persoon en ook de grootste stimulerende geest.

Ach weet u, er waren ook grand-seigneuren bij, die veel bruusker leefden; zoals in de undesburg, geadeld in de vorige eeuw. Robuustere figuren.

Om dat kasteel Hundesburg goed te bewonen, maakte de gastheer er altijd enorm veel lawaai

met al zijn honden en ook de geiten hadden er vrij spel. Die renden de trappen op met de kinderen.

Ja, die geiten stonden op de mahoniehouten tafels soms. Dat was een drukte van belang, maar heel leuk. Dat was nog voor de oorlog. Toen kon men in zekere zin nog meer fantasievol leven, hè.

Had u soms niet moeite om als puriteinse Hollander in het ietwat wufter levende

gezelschap uw draai te vinden?

U moet bedenken dat ik gezeIschappelijk wel aardig getraind was als rondtrekkend portrettist,

door mijn reizen. En ik weet dat Von Alvonsleben altijd zei, als er gasten waren, dat ik, wat zei noemden zeer ‘gewand’ was. Nou ja… om leiding te geven aan het niet derailleren van gevoelens of wat ook.

Ik kon toch door een zekere opvoeding standhouden, want ik heb mij niet bedreigd gevoeld. Ik heb altijd wel profijt gehad en ik ben goed mijzelf gebleven. Want er waren natuurlijk

wel eens omstandigheden dat er een potlood geslepen moest worden en iemand zei: “Bel Hermann even”. Ik maakte daar natuurlijk geen gebruik van. Ook gebeurde het wel eens dat

het bedienend personeel tegen mij zei: “Ach, maar werkt u in de late avond daar nog aan. Ze zullen u er niet eens zo dankbaar voor zijn”. Dan zei ik: “Hoor eens even, ik doe het niet

alleen voor jouw heer, maar ik ben zelf ook zo nieuwsgierig naar het resultaat.

Ik wil zo graag zien wat ik kan”. Dat het zo vruchtbaar is geworden, bewijst wel dat de ‘Burgverein’ het boek heeft uitgegeven van mijn burchtentekenend leven. Wellicht ook omdat ik in Duitsland zeer goede relaties had.

U bent er nooit steenrijk van geworden?

Dat ben ik zeker niet. Ik vond het heel prettig al die mooie meubelen en mooie inrichtingen te

zien, maar ik was doodgelukkig als ik hier weer was en in simpelheid mocht leven. Zoals Antoon van Welie ( een bekend portretschilder) die met zilveren paneeltjes beslagen deuren bezat hier en daar, en prachtige kunstvoorwerpen, en tegelijkertijd dat gevoel uitstraalde dat de armoede om de hoek van de deur keek. Daar ben ik te Gronings solide voor.

Van nature monnik zijnde, zou ik heel goed in een prettige cel kunnen werken en dan de rijkdom van buiten bekijken. Ik hoef het niet te hebben.

Heeft u bij uw cultuurhistorisch werk veel steun ondervonden van wetenschapskringen in Groningen?

Nee, van Groningen heb ik nooit enige steun gehad. De belangrijkste steun die ik heb gehad, is dat Niemeyer n.a.v. een gezicht op Antwerpen mij de opdracht gaf om de stad uit te beelden. Dat is het enige wat ik uit Groningen aan steun heb ontvangen. En uw collega Van Os heeft mij door de molen gemalen. Die heeft gevonden dat ik waarschijnlijk een snob was die er altijd maar naar aardige mensen te leren kennen, die een beetje te vleien om mogelijk opdrachten van hen te krijgen, maar dat is nooit het geval geweest.

Deze mensen bezaten de cultuurhistorische huizen, bezaten de parken en de tuinen die zij in goede tijden hebben laten aanleggen. Zo is het gekomen dat ik hen geholpen heb. Ik heb nooit gebedeld om een of andere opdracht. Mijn opdrachtgevers zagen wat ik deed.

Wat voor aanleiding had van Os voor zijn aanval op u?

Ik vermoed dat het aan jeugdige overmoed heeft gelegen. Er is in jeugdige mensen nog geen uitgebalanceerd oordeel en men is nog niet goed in staat iets te waarderen en de strijd om zelf gewaardèerd te worden werkt soms verblindend en bovendien was mijn richting ook evreemdend voor hem en niet te plaatsen in de Groninger schildersbent of gemeenschap. Een beetje een eigen weg!

een moeilijke tijd.

Wat een moeite heb ik gedaan om mijn dagelijks brood te verdienen.

Ik heb misboeken geïllustreerd voor Amerika in Antwerpen, in een autofabriek gewerkt. Ik had er vreselijk het land aan, dat mijn ouders te veel zouden moeten offeren. Ik ben ijverig geweest om zoveel mogelijk mijzelf te bedruipen. Ik ben er dankbaar voor dat het zo moeilijk

was. Dat ik uit het niets iets tevoorschijn moest roepen. De boerenfamilie waar ik uit stamde, zei: “Je krijgt het eind niet en wij zullen voor je moeten zorgen”. Ik had toch wel een heel sterk bewustzijn dat ik dat niet wilde.

Is het tegenwoordig te gemakkelijk?

Ja. Het was vroeger wel hard, maar uit die hardheid ontstaat ook wat. Hardheid is niet alleen hard, maar ook opvoeding. Ik heb heel wat afgezocht vroeger. In mijn jonge tijd was ik dikwijls bij de monniken om te kijken wat de geestelijke gemeenschap voor mij kon betekenen. Het was zo ‘moeilijk dat je soms ook wel eens dacht aan een vlucht uit de wereld

Ik kwam tot de conclusie: ook al ga je in het klooster, je blijft mens. En je moet daar net zo

goed doorworstelen als ergens anders.

Je zal waarschijnlijk wakkerder tussen de mensen blijven, dan in de droom van het klooster.

Er is natuurlijk altijd zo een geest die je leidt en die je dit leert zien en dat lëert zien.

Ik heb zelfs het gevoel dat gestorven mensen mij nog leiden.

Vindt u het soms niet hard dat u zo weinig verdient met uw werk?

Ik heb dat ook wel gedacht als gecommitteerde, toen ik allerlei stukjes moest nakijken. Toen verdiende de huisschilder die mijn huis opfriste veel meer dan ik.

Over het leraarschap

Ik was: wel eens benauwd voor mijn materiële toekomst. Plotseling viel de mantel van het leraarschap op mijn schouders. Het leek mij zo aardig het dagelijks brood te verdienen op een school. En mijn Duitse vrienden moesten een nieuwe toekomst opbouwen. Om solidair met

hun te zijn dacht ik: laat ik ook zo moedig zijn een nieuwe toekomst op te bouwen en gehoorzaamheid te leren. Net als een ambtenaar. Zodat als ik weg ga, mij niets bespaard is

gebleven.

u beschouwde uw leraarschap als een noodzakelijk kwaad?

Het was een plotseling natuurlijk uit het leven voortspruitende gebeurtenis, en het was mij

ook een levensbehoefte de moed te hebben. Mijn vrienden zeiden: “Ik vind het verdomd flink, flink dat je het doet”. Ik vond het nou zo aardig om te leren geven. U kunt wel begrijpen,

dat ik misschien te meelevend was voor de kinderen. De bereidstelling is kollossaal groot geweest.

Ik weet niet of het succes zo groot geweest is. Ik vond het een kolossale zelfoefening; half kastijding, maar tegelijkertijd was ik ook wel benieuwd hoe ik het eraf zou brengen.

Je eigen aard beter te ervaren tussen mensen staand. Weet je wat ook zo belangrijk was om leraar te zijn? Je mocht ziek zijn en je bleef toch in je baan! En de vakanties werden doorbetaald.

Wat een wonder van ontdekking!!

Dat was een geruststelling van mijn ziel. De zekere beveiliging van het menselijk bestaan. De totale zelfstandigheid in de maatschappij is soms heel zwaar. Vakantia was zoiets buitengewoons! Ik zat de eerste vakantiedag en dacht: ik hoef niets! Morgen niets! Overmorgen ook niets!

Over de vakantie.

In de paasvakantie schreef ik mij in op een reis per autobus naar de Middellandse zee om de lente twee keer te zien. Er werd mij altijd gezegd:” Stel je er niets van voor, van de mensen die meerijden, ze zijn zo afschuwelijk”. Ik ben aan het raam gaan zitten, en al kom je ook te

zitten naast de afschuwelijkste man of juffrouw: wees altijd vriendelijk, laat je gemoed niet beroeren. Maar wend je tot moeder natuur; die vliegt aan je voorbij. Neem je schetsboek en

ik heb geschetst. De meesten stonden hun plaatsen af. Ontspanningsschetsen.

Ik beschouw het als een toerende conversatie met het landschap, wat je soms niet lukt met de mensen. Het landschap is altijd boeiend variabel: dag landschap, dag huis.

De wereld is hard.

Dan zijn er mensen die in tuinen zijn geïnteresseerd en die kopen dan een boek van mij om het te kunnen kritiseren. Daar herken je de wereld aan. Dan komen er mensen bij je, die zeggen: “Je hebt een tuin getekend, maar die hoeken van die grasvelden die zijn nooit zo afgeschuind als jij ze hebt getekend. Dat komt in de barok nergens voor”. Ik voel dan

dat ze er plezier in hebben zoiets gevonden te hebben. Ik zeg dan:”Als je het zonder vergrootglas bekijkt, dan ljjkt het een rechte lijn, maar in werkelijkheid is dat niet zo.” En dan

is men teleurgesteld. Ja, wat droevig eigenlijk, hè. Dan heb ik wel eens pijn,

dat. mensen die suggereren dat ze bevriend zijn dan op een of andere wijze een beetje vijand zijn. Dat is nou het leven, hè. Het is heel goed humor te hebben. Ik ga morgen rustig weer

aan het werk. Het zij zo

Nieuwe uitgaven

De Regio Groningen

de geografisch- economische geschiedenis

van een regionale centrumstad en

haar Ommeland. Door Prof. dr. H.J.Keuning.

VIII + 138 paginas~ ing.~ getll.~ introductie

prijs f18,50. ISBN 9007 468403

Na 7 januari 7975 wordt de prijs f22,50.

Doel van de auteur is het geven van een geografisch-economische geschiedenis

van de stad Groningen. Tot ongeveer 1300 neemt deze stad een afzonderlijke en op

zichzelf betrokken positie in. Daarna streeft zij – in feite tot op de dag van vandaag- naar een centrumfunctie voor haar wijde omgeving of “Ommeland”. Deze ontwikkeling wordt aan de ene kant gestimuleerd door de behoeften van deze omgeving, anderzijds door eigen initiatieven.

Het gevolg is dat het Ommeland zich in de loop der geschiedenis voortdurend wijzigt, zowel in zijn ruimtelijke uitgebreidheid als in zijn economische betekenis. Aan de beschrijving

van elke fase in de geleidelijke groei van de stad gaat een beknopte beschrijving van de ver- anderingen in het Ommeland vooraf.

Deze studie bevat, behalve de algemene aspecten van de strijd rondom de waterbeheersing, tevens een overzicht van de -in de provincie Groningen bestaan hebbende dijkrechten en zijlvesten met hun korte geschiedenis. Als uitgangspunt is de tijd omstreeks 1200 genomen omdat toen de zeeborg”, d. i. de eerste dijk werd gelegd.

‘Ook verkrijgbaar via de boekhandel.

H.D. Tjeenk Willink bv

Groningen

Anco Wigboldus Kunstschilder.

Anco Wigboldus
Anco Wigboldus (Ten Boer 1900 – 1983 Groningen) behaalde zijn mo-tekenakte aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Den Haag en ging daarna naar het Hoger Instituut van Schone Kunsten in Antwerpen. Gedurende de periode 1951-1963 gaf hij les aan het Willem Lodewijk Gymnasium te Groningen. Wigboldus tekende, schilderde portretten, maakte reliëfs en keramische plastieken. Maar karakteristiek is vooral de wijze waarop hij met topografische precisie stadsgezichten, borgen, parken en kastelen vastlegde. Zijn voorkeur voor met name deze laatste bouwwerken leverde hem zelfs de naam “kastelen-schilder” op.

De talrijke reproducties in Wigboldus’ boek ‘Getekende Ontmoetingen met onze provinciën’ illustreren zijn liefde voor historische locaties en oog voor detail. Groningen en omstreken, het deel van Nederland waar hij een groot gedeelte van zijn leven doorbracht, komt in deze publicatie met plekken als de Westerhaven, de Turfsingel, het Hoge der Aa, de Freylemaborg en de Hamsterborg uitvoerig aan bod. Van grote documentaire waarde is bijvoorbeeld het gezicht op Groningen dat hij schilderde vanaf Blauwbörgje, geliefd bij veel Ploeg-leden, toen het spoor nog de grens markeerde tussen stad en platteland.

Zelfportret Anco Wigboldus

Uit: Reformatorisch Dagblad, 6 augustus 1981 , pag. 7
Link naar dit artikel:
http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012e9d767f97b1e2963f20db&sourceid=1011
Verkorte link naar dit artikel:

Publicatiedatum: 6 augustus 1981
Romantische kijk op oude steden, kastelen en parken
Anco Wigboldus (ver)-tekent ontmoetingen

De ,,Kijk op….”-boeken van een grote uitgeverij kennen we zo langzamerhand allemaal wel: fotoboeken met summiere tekst en een overvloed aan kleurrijke illustraties tonen ons landen, provincies, steden, molens, boerderijen en wat niet al. Nu is fotokunst natuurlijk ook wel kunst, maar de kijk op de schoonheid van ons land wordt toch heel anders als we een tekenaar of kunstschilder aan de arbeid zien. De eenentachtigjarige Anco Wigboldus uit het Groningse Zuidhorn is zo’n gids doorons land.
H. H. J. van As
In zijn onlangs uitgekomen „Getekende ontmoetingen met onze provinciën” laat deze „religieuze romanticus en kastelen-schilder”, zoals zijn vriend prof. dr. H. J. Prakke hem in een inleidend woord noemt, ons genieten van zijn dorps- en stadsgezichten in archaïserende tekeningen en vlugge schetsen. Het boek telt 128 blz., is rijk in zwart-wit geïllustreerd en kost geb. ƒ45,-. Uitgeverij is De Walburg Pers in Zutphen.

Wigboldus is, als we de typermgen van Prakke mogen geloven, ook een voorname portretschilder, maar na zijn studies en een grote studiereis naar Italië (vooral Florence) werd zijn belangstelling toch vooial gewekt voor oude bouvirwerken. °,Huizen hebben mij vaak meer te vertellen dan mensen” zou Wigboldus gezegd hebben. Nu een halve eeuw geleden ontmoette hij de Duitse kunsthistoricus Udo von Alvensleben en die schrijver over en beschrijver van Nederduitse kastelen stuwde mede Wigboldus in de richting van zijn latere werk: de kastelen-schilder, die het huis en zijn bewoners steeds als één geheel wilde zien.

Zo tekende Wigboldus in 1934 met speciale toestemming van koningin Wilhelmina paleis Huis Ten Bosch met omringend park, gezien vanuit de tuin, die normaal voor het publiek gesloten was. De overeenkomst met Heen 18e-eeuwse prentkunst is opvallend.

Zo kwam Wigboldus, naar oudFranse trant, tot het schilderen van deze adellijke huizen met hun tuinen in vogelvlucht. Zelfs ruines werden door de schilder-tekenaar aan de hand van oude gegevens zo gereconstrueerd dat het opnieuw ware lusthoven werden, misschien mooier dan ze ooit waren.

Harmonie

Hem wordt „verweten”, dat hij zich nooit aan heersende modegrillen te buiten ging; harmonie en hoofse levenskunst hoog in zijn vaandel voert en in een geheel eigen denkstijl voorname schilderingen schept. Zo verscheen al eerder zijn boek „Huizen en Parken die ik tekende” en wat later zijn Duitstalige „Burchten, kastelen en parken, doorleefd getekend en beschreven”, waarin kastelen e.d. uit Oost- en West-Duitsland, ons land, België, Frankrijk en Engeland werden vertoond, uitgegeven door de „Deutsche Burgenvereinigung”.

Nu wordt het drieluik voltooid door deze „Getekende ontmoetingen” waarin wel onze elf provinciën aan bod komen, maar waarbij het accent toch op zijn geliefde Groningen (stad en land) ligt. Naast elk der afbeeldingen — helaas uitsluitend in zwartwit; dat doet wellicht de schoonheid der prenten danig te kort — krijgen we een toelichting van de meester zelf.

Romanticus

Dan blijkt pas goed, hoezeer hij inderdaad een romanticus is, die geenszins beoogt, de realiteit van nu te verbeelden. Bij stadsgezichten: mooie gevels, torens en kerken, maar niet de ook aanwezige fabrieksschoorstenen; niet de ontluistering en het verval. Een prent als de Walburgkerk in Zutphen in vogelvlucht geeft een gave middeleeuwse Hanzestad weer.

De prachtige tekeningen van Kasteel Amerongen of het Oude Hof te Bergen (N-H) zijn zo weggelopen uit de 18e eeuw — al waren collega’s van Wigboldus uit clie tijd zoals Jan de Beijer minder romantisch ingesteld — en zoals Wigboldus de Cunera in Ebenen en de Utrechtse Dom heeft „gezien”, zien wij ze niet meer. Het boek bevat naast veel complete tekeningen van kastelen en steden ook een aantal vlugge schetsen, waarvan het niet duidelijk is of Wigboldus ze ook heeft uitgewerkt. Zijn werk is voor latere oppervlakkige waarnemers een beetje misleidend: zo’n prent van Huis Ten Bosch zou je een paar eeuwen eerder dateren.

Portret van Prakke

Een staaltje van portretkunst komen we in dit boek tegen; die van prof. dr. H. J. Prakke en zijn kapitale boerderij, de Prakkehof te Meppen. Waarom Prakke hier? Welnu, voor wat hoort wat. Prakke is vriend van Wigboldus, organiseerde een jubileumfeest voor de schilder, is ook uitgever (Van Gorcum en Comp.) van het Tekenaar-schilder Wigboldus uit Zuidhorn bij een van zijn werken uit ,,Getekende ontmoetingen”: een vogelvluchtkaart van Groningen met op de voorgrond de Martinikerk en -toren. De tekening van 2.10 bij 1.80 m, nu in het Raadhuis van „Stad”, werd in opdracht van de jubilerende Theodoriis Niemeyer NV vervaardigd in 1967. Wigboldus gaf geenszins de toenmalige exacte toestand weer. Duitse kastelenboek van Wigboldus en schreef Nederlandse en Duitse gelegenheidsgedichten op de kunste

Nu, zo’n man moet je natuurlijk iets terugdoen. En dan is zo’n portret met ridderorden en toga — Prakke was immers deeltijds hoogleraar in de leer der publicistiek aan de Wilhelmsuni versiteit te Munster — een aardig gebaar. Al is de aankleding van zo’n geportretteerde wel erg uit de tijd dat de hoogleraren nog professor waren, of omgekeerd. Maar Wigboldus heeft ook nooit laat-20e-eeuwse kunst ver-» vaardigd.

,,Verbeelding”

Kortom, een boek met een heel aparte kijk op Nederland en zijn steden en kastelen en kerken. In elk geval niets voor hen, die een soort topografische atlas verwachten. In som-‘ mige gevallen zou men wensen dat Wigboldus nog eens ging kijken. De Cannenburgh in Vaassen ziet er bijv. nu wel even anders uit dan toen hij de schets op papier zette in 1972. En hoe iemand zó lyrisch kan doen over het huidige Kasteel Rosendael bij Velp is me een raadsel: dat kan alleen als men niet ziet wat er staat, maar wat er zou moeten staan.

Provincie Groningen > Over de provincie > De Ploeg

De Ploeg en de provincie Groningen
In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw heeft de provincie Groningen werken aangekocht van de Groninger Kunstkring De Ploeg. Dit, om de eigentijdse kunst in de provincie te stimuleren, maar ook om kunstuitingen te bewaren voor volgende generaties.

Het landschap als vertrekpunt

Het landschap in al zijn verschijningsvormen als vertrekpunt. Lange tijd gold dit voor De Ploeg. Voor de provincie Groningen geldt het elke dag. U vindt hieronder, per kunstenaar, de gehele provinciale Ploeg-collectie. Wij wensen u veel kijk- en leesplezier!