Hooiweg

Verhaal over de stroschuur

Verhaal over de stroschuur

De stroschuur

Aan de thans geheten Hooiweg was indertijd gevestigd de N.V. Handelsonderneming v/h K. Smit. Het complex bestond uit drie enorm grote loodsen en een ketelhuis.

De handel in hooi en stro en de verwerking hiervan was wel het belangrijkste onderdeel. Het bedrijf werd in de wandel ”de stroschuur” genoemd. De directeur K. Smit woonde aan de Gast in villa ”Arnichem”. Bedrijfsleider was de heer F. van der Pers. Het hooi en stro werd met eisten paarden en wagens uit de wijde omgeving van Zuidhorn opgehaald. Het hooi werd gehakseld met haksel- machines, welke werden aangedreven vanuit het ketelhuis, in balen verpakt en grotendeels per spoor uitgevoerd naar Duitsland. Het stro werd tot pakken geperst en voor het grootste gedeelte eveneens uitgevoerd naar Duitsland.

De rest ging naar de strokartonfabrieken o.a. naar de thans gesloopte strokartonfabriek ”Erika” te Oostwold, waarin de N.V. financieel ook geïnteresseerd was. Riet werd er ook ge- en verkocht. Tot de werkzaamheden behoorden verder de aankoop en verwerking van vlas. Voerlieden waren in die tijd J. Ploeg. J . Spoelstra en H. Broeils.

Laatstgenoemde had twee muilezels voor zijn wagen, waarvan de ene meestal eerst ”startte” na een pak slaag.

Weger was R. Kleiker en honi- en strodekkers D. Noordhof en J. Cleveringa. De zorg voor de dekkleden was opgedragen aan K. Veltrop. Het per spoor te vervoeren hooi en stro werd afgedekt met dekkleden. De spoorwagens moesten zodanig geladen worden dat ze onder een door de spoorwegen geplaatste mal door konden. Veltrop had ook wel eens ”telefoonwacht”. Tot grote pret van zijn mede- arbeidcrs meldde hij zich dan als ”u spreekt met Knelis Veltrop, knecht van Knelis Smit meneer. Van lieverlee werden de paarden en wagens vervangen door vracht-auto’s. De eerste auto was een 100-paks auto. Chauffeur van deze auto was R. Kleiker en bijrijder S. Ploeg. Het autopark werd opgevoerd tot vijf auto’ s. leder met een capaciteit van 200 pakken . Voor het vlasbraken werden meestal sigarenmakers en tijdens de oorlog 1914/ 1918 gevluchte- of geinterneerde Belgen ingezet. (Over de sigarenmakers en de Belgen later meer). Na voornoemde oorlog was er een groot tekort aan persdraad (draad dat werd gebonden om de samengeperste balen hooi en stro).

Dit persdraad werd ook wel kramdraad genoemd. De N .V. kocht het gebruikte draad weer op van de strokarton- fabrieken en dit werd gedeponeerd op een terrein tegenover de ”stroschuur” alsmede op een terrein te Brlltil, waar later de betonindustrie van de firma Nanninga was en thans PTT–gebouwen staan. Aan de hand van een foto waren deze ineen gestrengelde hopen draad zeker 2 à 3 meter hoog. Dit draad moest uit elkaar gehaald, rechtgetrokkcn en in bosjes gebonden worden. Men ontving voor een bos draad 3 cent per kilo. Hierbij werkten zowel mannen. vrouwen en jongens. Er kwamen uit Groningen dagelijks per trein zo’n 25 tot 40 personen naar Zuidhorn.

Er werd voor die tijd goed verdiend met het ”draadtrekken”. Een enkele kon komen tot 100 kilo per dag, maar dit waren uitzonderingen. Eén en ander volgens een 83-jarige vrouw en een 73-iarigc man. die toen resp. 22 en 12 jaar waren en meededen aan de ”draadtrekkerij” . Voor een dorstige keel zorgde Jetse Holst met zijn soepenkar en voor een vrolijke noot Marten de Vries met zijn draaiorgel.

Een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van dit bedrijf was wel de grote stroschuurbrand in april 1923.

Enkele dagen lang heeft het gehele dorp in angst verkeerd doordat de oostenwind brandende dotten hooi en stro over het dorp joeg. Bij het uitbreken van de brand bevondcn zich in de loodsen, behalve de werkpaarden, een groot aantal paarden voor de handel. Bij het redden van het grootste gedeelte van deze paarden speelden een drietal jongelui uit Zuidhorn een grote rol. Van deze ”jongelui” (H . Kapma. G. de Wit en A. Meerte) kreeg ik een verslag Verder speelde de Groningse brandweer, welke te hulp was geroepen , een belangrijke rol . Hierover wist de 88-jarige A . Harmsen mij te vertellen , die toen als spuitgast deel uitmaakte van de Groningse brandweer.

Hierover gaat het volgende hoofdstuk.

Overgenomen het uit boek: “Herinneringen aan Zuidhorn” geschreven door de heer J. de Wit

Verhaal over de Grote Stroschuurbrand aan de Hooiweg

De grote stroschuurbrand

Het was op zondagavond 22 april 1923 dat Zuidhorn werd opgeschrikt doordat brand was uitgebroken in de ”stroschuur. Een verslag hiervan werd gevonden in het Nieuwsblad van het Noorden van maandag 23 april 1923 en de Winschoter Courant van dinsdag 24 april 1923. Verder vond ik een verslag in het gedenkboek uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Groningse beroepsbrandweer.(januari 1884-1 januari 1934). Aan het eind is alleen opgenomen het verslag uit genoemd gedenkboek en dat van één der leden van de Groninger brandweer, die toen deel uitmaakte van de te hulp gesnelde ploeg. Een drietal personen uit Zuidhorn speelden een belangrijke rol bij het redden van het grote aantal paarden. welke zich ten tijde van de brand in de schuur bevonden. Het betrof hier zgn. handelspaarden. Deze personen waren Albert Meerte, Giel de Wit en Hendrik Kapma, die komende uit de richting Noordhorn vanaf de spoorwegovergang een vuurgloed zagen door de ramen van de schuur. Zij renden er naar toe en hoorden van buitenaf reeds de in doodsangst verkerende paarden tekeer gaan. Zij forceerden gezamenlijk de afgesloten deuren. Achter schuurdeuren pleegt een grote dwarsbalk te zitten en het was deze balk, welke de vrijheid van de paarden in de weg stond. Op de normale wijze was deze balk niet te verwijderen met tientallen in paniek verkerende paarden ervoor. Albert Meerte trachtte met een paal de balk uit de haken te slaan, maar raakte hierbij één der paarden vlak voor zijn hoofd. Als reactie stortte dit paard zich met zijn volle gewicht op de dwarsbalk, welke doormidden knapte en hiermede de weg vrijmaakte voor de andere paarden, welke in wilde vaart de spoorbaan opvlogen, richting Grijpskerk. De redders stonden op dat moment te midden van de wegstormende paarden. Een aantal paarden kwam toch nog in de brand om. Voor noemde nieuwsbladen noemen het aantal in de schuur aanwezige paarden op 24-25 stuks, waarvan 8 à 9 om- kwamen in de brand. Volgens meerdere personen zouden er tenminste 45-50 paarden aanwezig geweest zijn. Zelfs een aantal van 75 werd genoemd. De werkpaarden welke op de normale wijze waren gestald zouden omgekomen zijn. De handelspaarden, welke aan palen gebonden waren, zouden zich los hebben kunnen rukken De Zuidhorner brandspuit, welke nog met handkracht werd gedreven, stond machteloos tegenover deze enorme brand. Burgemeester de Vries riep dan ook de hulp in van de Groningse brandweer, welke spoedig verscheen met een motorbrandspuit, doch de zware spuit zakte prompt weg in een greppel bij het huis van de bedrijfsleider van der Pers.

De Zuidhorner spuit hield zich bezig met het nat houden van de belendende percelen bewoond door de families Doornbos en Effing. Grote dotten brandend hooi en stro vlogen in westelijke richting over het dorp. De dakgoten van het toenmalige café Bennema hadden ook reeds vlam gevat, maar men wist deze met emmers water te blussen ”Ook ik stond met mijn zondagse kostuum aan in de’ dakgoot” aldus Ru Weitering. Ook het rietdak van de boerderij van Roelf van Slochteren aan de Brilweg was reeds aangetast. Deze boerderij stond op de hoek van de Brilweg en de Adm. Helfrichstraat. Eén der slangen van de Groningse brandweer werd bediend door de kleine koperslager de Boer uit Noordhorn. Hij had kennelijk niet gerekend op een zo grote kracht van de motorspuit. Toen deze dan volle kracht gaf, kon hij in eerste instantie de slang niet in bedwang krijgen, maar loslaten deed hij niet en het gevolg was dat hij met slang en al door de ,modder en het water werd geslingerd totdat één van de Groningen spuitgasten hem te hulp kwam. Een komisch moment bij deze ellende. De Grondiger brandweer

heeft elf uren onafgebroken gespoten maar bleef langer aanwezig. De Zuidhorner brandweer heeft een week lang werk gehad om de nog steeds boeiende en gloeiende hooi- en stromassa onder de knie te krijgen Mijn vader was één der hulpspuitgasten en werkte ten tijde van de brand tijdelijk op de stroschuur. Hij was sigarenmaker maar de NV Smit, leende wel eens mensen van de sigarenfabriek, zo ook in dit geval. 14 dagen na het uitbreken van de brand stak het vuur de kop nog eens op, maar toen was de hitte na het blussen zodanig, dat men kon beginnen de broeiende massa uit elkaar te halen. Al met al was men, van het begin tot het einde, zo’n drie weken bezig. De brand was tot tientallen kilometers in de omtrek te zien en had zo ongeveer het gehele Westcrkwartier tot zich getrokken. De school aan de Frankrijkerlaan lag ook in de baan van de rookwolken. Dagenlang zagen we vanuit de school deze voorbij drijven. Eerdergenoemde kranten geven ook weer de grootte van de voorraad en inventaris, alsmede de totaal geschatte schade. Het is te uitgebreid dit alles weer te geven. Volgt hier dan een verslag van de Groninger brandweer en die van één van haar spuitgasten: ” 1923 – Op verzoek van den Burgemeester van Zuidhorn werd op 22 april voor een grooten uitslaanden brand assistentie verleend, welke woedde in 3 grote loodsen en een ketelhuis in de gemeente Zuidhorn, toebehoorende aan de N.V. Handelsonderneming v/h K. Smit. In deze loodsen waren groote hoeveelheden hooi, stro en riet geborgen. Bij aankomst der Groninger Brandweer vertoonde het gehele complex gebouwen één geweldige vuurzee. Nadat de auto-motorspuit gedurende 11 uren had gewerkt, was het vuur in zooverre bedwongen, dat het gevaar voor de omliggende gebouwen als geweken kon worden beschouwd” lk had op 17 december 1979 een gesprek met de eenjarige A. Harmsen, Rodeweg 33 te Groningen, die op toen 32- iarige leeftijd de brand als lid van de Groningse brandweer meemaakte. Van hem ontving ik voornoemd gedenkboek ter inzage. Hij vertelde hierover het volgende: ”We hadden die dag zondagsdienst en maakten ons gereed om ”af te gaan” om 7 uur. toen een opdracht kwam om naar Zuidhorn te gaan alwaar een grote brand woedde. De ”opkomende” ploeg nam onze taak te Groningen over en wij gingen met eén der auto-motorspuiten naar Zuidhorn.

We zagen, toen we Zuidhorn naderden, één grote vuurzee wat de commandant deed opmerken dat we die nooit uit zouden krijgen. Het bluswater moest gehaald worden uit een spoorsloot, maar de weg hier naar toe bleek niet bestand tegen het zware gewicht van onze auto-motorspuit, dit in tegenstelling met de mening van omwonenden, die beweerden dat daar wel zwaardere vrachten hooi en stro passeerden. De naar schatting 12000 kg wegende spuit, inclusief alle bijbehorende materiaal, zakte dan ook prompt weg in de modder en het heeft lange tijd geduurd voordat de auto weer uitgegraven was en water kon geven. Met 4 slangen werd de vuurzee bestreden. Op de duur raakten we nog zonder water, doordat de spoorsloot leeggepompt was. (Deze spoorsloot lag precies tegenover het Station).

Uit de dichtstbijzijnde sloten moest toen water gepompt worden. We zijn nog afgelost door onze collega’s uit Groningen. lk herinner mij nog dat de verzorging van de inwendige mens daar zeer goed was. Er werd ons regelmatig eten gebracht. Vermoedelijk uit één der plaatselijke hotels.

Aldus de heer Harmsen, die verder nog vertelde dat de eerste auto-motorspuiten voorzien waren van massieve banden. Men durfde het in die tijd nog niet aan met luchtbanden. Het risico van een lekke band kon men voor een brandspuit niet nemen.

Uit: “Herinneringen aan Zuidhorn” geschreven door dhr J. de Wit