Sarriespad

De Sarrieshut, verhaal

Indien er geproken wordt van een sarrieshut en een sarrie, dan moet er gelijk gedacht worden aan een korenmolen en een belasting op het gemaal. Een sarrie was een provinciaal ambtenaar die belast was met de controle op het aangevoerde graan en het daarvan verkregen meel.

Het huis waarin hij woonde noemde men de sarrieshut en waar kon men deze beter plaatsen dan aan de voet van een molen. Voor het ontstaan van de belasting op het gemaal moeten we wel een paar eeuwen terug. Dr. A.C.J. Vrankrijker vertelt hierover in zijn boek “Geschiedenis van de Belastingen” het volgende: een vorst had het recht van de wind en hij was de enige die een windmolen mocht exploiteren. Een onderdaan kon dat Recht van de wind verkrijgen tegen betaling van Maalgeld, ofwel later het Gemaal, dat een accijns werd. De heffing was niet overal gelijk en daarom werd bij de Unie van Utrecht o.a vastgesteld overal gelijke belastingen te heffen en hieronder hoorde ook de heffing op het gemaal. Deze belastingen noemde men toen “imposten”. Zo terzijde zij vermeld dat hieronder ook vielen de impost (accijns) op het bestiael (slachtvee), op hoornvee (runderen van 3 jaar en ouder), alsmede op zout en zeep. In 1805, ten tijde van de Bataafse Republiek, vond een hervorming plaats van het belastingstelsel waarbij die op zout, zeep, turf en het gemaal gehandhaafd bleven. De heffing van het impost op het gemaal gaf nogal wat aanleiding tot misstanden en klachten. De molenaars en hun knechten moesten een eed afleggen, dat alles naar eer en geweten afgehandeld zou worden. Bij overtreding werd een boete opgelegd van 100 Carolus guldens, ook kon men gegeseld of verbannen worden, maar ondanks al deze maatregelen werden de misstanden niet opgeheven en daarom werd er bij iedere molen een belastingambtenaar gezet, een zgn. “Chercher’ Dit Franse woord werd door de Groningers verbasterd tot “Sarrie” en nu zijn we weer aanbeland bij de sarrie en de sarrieshut.

Zoals vermeld stonden de sarrieshutten meestal dicht bij de molens. Vanuit hun huis konden dan de sarries de molen in de gaten houden. Jan Rittersma vertelt hiervan in de Ommelander Courant van 12 december 1974 het volgende: de sarrie genoot vrije woning en een jaarsalaris van 130 Carolus of “Ene Rijcksdaler des Weecks”.

Het door landbouwers of bakkers aangevoerde graan werd meestal met paard en wagen gebracht. Ze moesten dan het huis van de sarrie passeren (soms via een slagboom) en zich bij hem melden. De verschuldigde belasting werd berekend en betaald en eerst dan mocht de molenaar malen. Voor het vermalen van een mud tarwe moest 24 stuivers betaald worden. Wanneer het meel voor veevoer bestemd was betaalde men iets minder. De sarrie roerde er dan een lepel zand door.

De voorschriften waren wel streng maar desondanks haperde er nog wel iets aan getuige dit rijmpje: “De bakker, de muller en de sarrie, t’ís aalmoal ain pakkelarrie”.

In 1855 werd de belasting op het gemaal opgeheven, mede gezien de hogere baten uit Nederlands Indie en een opleving van de handel en de nijverheid. De molen stond aan de thans geheten Molenstraat (toen Klein Frankrijkerlaan genoemd) en de sarrierhut, hoe kan het ook anders, aan het Sarriespad (toen genoemd ’t Lutje Padje)

De sarrieshut stond zuidelijk van de molen, een standermolen welke in 1910 werd afgebroken. Eigenaar was toen Pieter Bakker, die woonde in het huis, waar nu bakker Haaksema zijn bedrijf heeft (eind jaren 70). De sarrieshut, welke dus sinds 1855 geen dienst meer deed, werd in 1877 gekocht door de familie Abel van der Sluis voor f 700,-. De bijna 80-jarige Anke van der Sluis vertelde mij omtrent dit huis; Het huis had enorm dikke muren, het vroor binnenshuis nooit, er was slechts 1 woonkamer, waarvan twee bedsteden, tussen de bedsteden een grote kast en een klein smal kastje voor klein goed. Als afscheiding er tussen een zwaar eiken schot. Als je de voordeur instapte stond je gelijk in het achterhuis, en in dit achterhuis rechts om de hoek een regenput. In de zolder een luik waardoor je met een ladder op zolder kon komen. Aan de noordzijde (front) de voordeur met aan de linkerzijde twee ramen en aan de rechterzijde één raam. Aan de oostzijde oorspronkelijk één raam, aan de westzijde een blinde muur, en aan de zuidzijde, recht tegenover de voordeur slechts één deur, de achterdeur. Door de familie van der Sluis werd er aan de oostzijde 1 raam bijgemaakt omdat het in die hoek van de kamer altijd donker was, terwijl er in de loop van de jaren aan de zuidzijde een keuken werd aangebouwd.

Mej. Van der Sluis vertelde nog dat door een harde wind de molen eens op hol was geslagen, en als gevolg hiervan een wiek over de Sarrieshut gevlogen was. De oudere Zuidhorners kennen allemaal Anke van der Sluis nog, die met een broodkar voor bakker Haaksema ventte en voor iedereen een praatje en een kwinkslag had.

Tekst overgenomen uit het boek “Herinneringen aan Zuidhorn” geschreven door dhr J. de Wit