Briltil

Briltil

Als men voor 1880 van Zuidhorn naar Briltil ging dan kon men de wieken van vier grote molens boven de huizen van Briltil zien uitsteken. n.l. drie aan het Hoendiep en één aan het Niekerkerdiep. De meest zuidelijke van de aan het Hoendiep gelegen molens was die van de familie Homan, welke omstreeks 1880-1890 werd afgebroken. Op de plaats waar deze molen, annex woning, stond, is nu een berging voor boten en caravans, en genummerd Hoendiep w.z.40.

Deze molen zou, behalve pelmolen, ook oliemolen geweest zijn. De middelste van de drie molens was de pelmolen van Hidding, later van Albert Buchli. Het wordt ‘ mogeliik geacht dat deze molen ook nog een zgn. maaistoel had. In 1921 , tussen vier en vijf uur ’s morgens brandde de molen af. lk herinner mij nog dat mijn moeder mijn broer en mij wakker maakte. We woonden toen aan de Achterweg (nu  Jellemaweg) tegenover het kerkhof. Over het kerkhof en het ”Middelland” kon men Briltil zo zien liggen. De nieuwbouw tussen de Jellemaweg en Briltil was er toen nog niet. De molen was één vuurzee en door de opvliegende hitte waren de wieken, al brandend, gaan draaien. De molen werd niet weer opgebouwd. De molenaarswoning bleef behouden en is nu genummerd Hoendiep wz. 42. De derde molen, de meest noordelijke, was die van de familie Rosema, welke op 16 mei 1849 in hun bezit kwam. De molen werd in 1896 afgebroken en al als grondmolen weer opgebouwd in Ruinen, maar hij is door slecht onderhoud in 1952 ingewaaid. Ze stond zuidelijk van de boerderij van de inmiddels overleden Kor Rosema , daar waar nu het perceel Hoefdier w.z. 46 staat. Erg interessant is de omschrijving van de koopakte, waarbij de familie Rosema in het bezit kwam van de molen. Deze koopakte werd mij spontaan door Kor Rosema ter inzage verleend en luidt als volgt:

 

IN NAAM DES KONINGS

 

Op heden de Zestienden der maand Mei, een Duizend achthonderd negen en veertig, Compareerde voor de Meester Dirk Roessingh in het Arrondissement Groningen, ter standplaats Grootegast. in tegenwoordigheid der beide nagemelde en mede-ondertekende getuigen Tede Sjoukes Poll, van beroep Pelmolenaar. wonende op de Bril aan de Trekvaart, gemeente Zuidhorn ten dezen handelende voor zichzelf en mede namens zijn Echtgenoote Aaltje Harsveld, zonder beroep. mede aldaar in zoverre noodig voor hem comparant behoorlijk geauctoriseerd, de welke verklaarde  onder vrijwaring als naar de wet en in geval van evitie te hebben verkocht en mitsdien in eigendom overdragen aanHalbe Jans Rosema. van beroep Pelmolenaar wonende te Niekerk, hierbij tegenwoordig en verklarende in koop en èn eigendom aan te nemen primo Eene behuizing met schuur en verder getimmerte, secondo. Eenen Pelmolen met getimmerte. De molen met zijn vier goede zeilen voor wieken, in één woord alles wat tot Pelmolensaffaire behoort .

 

Aldus een uittreksel van de koopbrief behorende bij de molen van de familie Rosema, welke was gebouwd in 1845 door Albert van der Heide, molenmaker op de Leek en Frederikus van Delden, molenmaker wonende op de Bril, voor de som van f 7.747.00. Uit een oudere koopbrief van 1816 blijkt dat op deze plaats eerst een oliemolen heeft gestaan. Het bijzondere van deze pelmolens was wel, dat ze eerst uitsluitend werden gebruikt als pelmolen, dwz. het bewerken van gerst tot gort, terwijl de molenaars als nevenberoep het mesten van ossen uitoefenden.

Dat de molens omstreeks 1860 een overheersend beeld op de Bril vormden, blijkt uit het feit de westzijde van het Hoendiep alleen bestond uit molens plus woning en zo was het vanzelfsprekend dat er een molenmakerswerkplaats was en wel die van Harm Hazenberg. Dit bedrijf werd later uitgeoefend door de zoons Pieter en Arend Hazenberg.

Voordien diende de molenmakerij plus woning als knechtenwoning bij Rosema’s molen, hetgeen voor kort nog te zien was aan de rij lindebomen, die juist als de nog  bestaande weg doorliepen. Ze moesten laag blijven om zo weinig mogelijk wind te vangen. Als bijzonderheid kan nog 1 worden vermeld dat de drie molenerven, op een gegeven moment,alle in handen waren van de familie Rosema.

Het in de akte vermelde werd letterlijk overgenomen.

 

Resteert nog de vierde molen. Deze stond, zoals reeds vermeld, aan het Niekerkerdiep, daar waar nu het nieuwe Waterschapsgebouw staat. Het was een houtzaagmolen, gebouwd in 1864 en gesloopt in 1920. Voor de molen was een zge. balkengat, van waaruit de te zagen bomen in de molen werden getrokken.

Eigenaar was Klaas Homan,  die ter onderscheiding van meerdere Homan’s ”Holt’n  Homan” werd genoemd. Latere eigenaar was Jan Nijland die het bedrijf voerde met zijn zoons Johannes (Jans) en Hendrik. Het moet wel een idyllisch gezicht geweest zijn, Briltil niet zijn vier molens en dan is de ”spinnekop”molen aan het Schipsloot nog niet meegerekend. De Zaanstreek van het Westerkwartier.