De brandstofvoorziening

De brandstofvoorziening

In de jaren voor 1930 werden de meeste huizen nog verwarmd met turf en zeker bij de arbeidersgezinnen. In dezomer kwamen de turfhandelaren of, en zo ja, hoeveel turf er voor de komende winter nodig geacht werd. Turfhandelaar Wieger de Graaf, die woonde aan de zwaaikom van de Schipsloot en verder vrouw Top (Coba Top-Kiestra), die onder meer aan de Jellemaweg woonde, waar waar later bode-brandstofhandelaar Fokke Polet zijn bedrijf had. Zij werkte veel samen met Doetse Boerema uit Noordhorn. Hun turf werd aangevoerd met de ”Nova Cura” van Thomas Zuidema, die zijn domicilie had in Niehove. Dan was er nog de Noordhorner turfschipper Jan Hut en later zijn zoon Hendrik. Behalve in Noordhorn 1everden zij ook veel in Zuidhorn. Jan Hut voerde de turf aann met zijn eigen schip, een ijzeren tjalkschip, groot 60 ton. genaamd ”Grietje”. Hij haalde de turf eerst uit Zevenhuizen en later uit de achterste venen (Emmercompascuum). Als bekend was wanneer het schip met turf voor de wal zou komen, dan kreeg men van tevoren bericht en dan werd tevens gevraagd welke voerman de turf moest “opmennen” . Men had keuze tussen de voerlieden Drenth en der Velde. Er werd dan een lijst geraadpleegd en kon men horen welke dag en hoe laat de turf werd voorgereden . Er werd zo ongeveer één uur tijd gegeven om de wagen te lossen, want dan stond de voerman er al weer om de lege wagen op te halen. Mijn ouders kregen meestal twee voer baggerturf en honderd lange aanmaakturf. Eén voer was tweeduizend baggerturven. Als de man werkte, dan moest de vrouw, eventueel met de hulp van de kinderen, maar zien dat de wagen leeg kwam. Kwam de turf onder schooltiid, dan kreeg een kind een briefje mee naar school waarbij werd gevraagd of het kind (of de kinderen) vrij van school mocht hebben om te helpen met het lossen van de turf. Dit werd bijna altijd toegestaan. De aanmaakturven dienden niet altijd voor het aanmaken van de kachel.

In vele huizen met bedsteden was er onder de bedstee een soort keldertje, dat diende om er de winteropslag aardappelen te bergen. De bodem van het keldertje werd dan belegd met de sponsachtige aanmaakturf, dat eventueel vocht opnam en zodoende rotting voorkwam. Hier  kwamen de aardappelen bovenop en op de aardappelen kwam nog dikwijls een hoeveelheid koolrapen en/of winterwortels. Een paar schuifdeurtjes sloten het bedstee-keldertje af. Leverancier van de koolrapen en winterwortels was doorgaans Mans Harkema, die woonde op de hoek van de Klinckemalaan-Klinckemaburen. Hij was handelaar in grove groenten. De baggerturf was niet uitsluitend bestemd voor de verwarming van het huis gedurende de winter, maar ze werd het gehele jaar door ook gebruikt voor het stoken van de kookkachel. Koken op gas of electrisch was er toen nog niet bij. Aan het eind van de dertiger jaren kwamen de electrische kookapparaten in de handel. In iedere één-kamerwoning of keuken stond een kookkachel. Voor het aanmaken van de kachel werd door velen gebruik gemaakt van snij- en kapspanen, welke men kon kopen bij de klompenmakers Sipke de Wit en Hendrik Meerte. De snijspanen waren zeer dun en brandden snel. Als ze goed vlamden kwam er een handvol kapspanen bij op en als ook deze doorgebrand waren, één of meer baggerturven. Aan de kapspanen zat behoorlijk veel hout.

Voor een grote jutezak snijspanen werd 15 cent betaald en voor kapspanen 30 cent. Als de herfst naderde werd de kolom-hekjes- of salamanderkachel in de woonkamer geplaatst. maar ze mocht niet worden gebruikt voor de Zuidlaardermarkt en ze werd weer opgeborgen met de grote voorjaarsschoonmaak. Zo wilde de traditie dat.

Stond de kookkachel in de woonkamer dan had men daar altijd nog een beetje warmte van en anders werd er een hemdrok of borstrok bij aangetrokken. Zo’n kookkachel had doorgaans drie à vier gaten aan de bovenkant, zodat er evenveel pannen gelijktijdig verwarmd konden worden.  Die gaten konden verkleind worden met losse ijzeren ringen, zodat men de pannen kon verschuiven van het eerste naar het tweede gat enz. De vuurpot zat aan de rechterkant en de oven aan de linkerkant. De ovendeur kon uitgeklapt worden. Als je thuis kwam met koude of natte voeten, dan sjorde je een stoel voor de kachel en ging lekker met de voeten in de oven zitten. Af en toe werd er koek gebakken in de oven. Als hakblok fungeerde  een blikken sigarenkistje. Als kind lag je dan voor de oven als een kat voor een muizengat en maar vragen of de koek nu nog niet klaar was. De kolom- en hekjeskachels hadden een deurtje aan de voorzijde. Af en toe mocht je paarde-  of duivebonen branden in de kachel. De bonen werden eerst voorgewerkt. Het kacheldeurtje kwam een eindje open en dan werden de bonen in een kolenschepje boven het vuur gehouden. Het was soms een geknetter en de bonen dansten dan in het schepje. Je hield er ook wel eens een paar verbrande vingers aan over, want meestal kon je niet wachten tot de bonen afgekoeld waren. Het was een ”gesmeer” maar wàt gezellig!