De Kermis

De kermis

 

De laatste week van juli begonnen de harten van veel kinderen sneller te kloppen, want aan het eind van de week zou niet alleen de grote vakantie beginnen, maar ook de kermis. De kermisvermakelijkheden stonden dan langs de Hoofdstraat en rond het gemeentehuis en het hotel Addens. Later werd de kermis verplaatst naar het terrein achter de smederij van Poort. De meeste kermisexploitanten kwamen per schip en legden dan aan op het eind van de Schipsloot. Een enkele kwam per trein, zoals Sipkema met zijn stoomcarrousel. Als eerste arriveerde meestal Rooze met zijn ”kop van jut” . Hij kon zijn attributen wel op een kruiwagen houden. Dan volgden de schiettent, oliebollenkramen en snoeptent. Als kaatsten arriveerden de cake-walk, draaimolen, autoscooter en luchtschommel. Na schooltijd gingen de jongens naar het Akkerend om de exploitanten te helpen met sjouwen en trekken van hun platte karren. Er werd een lang touw om de as van zo’n kar gebonden en dan maar trekken. De beloning was doorgaans één of meer vrijkaartjes. In het hoekje bij bakker Weg (nu Staghouwer) stond traditiegetrouw de oliebollenkraam van Werk Huizinga. Voor het gemeentehuis (nu het oude Raadhuis)  die van Mandemaker. Aan de oostzijde van het gemeentehuis de suikerkraam van Venema. Rooze stond met zijn ”kop van jut” voor het Waterschapshuis.

In het straatje aan de zuidzijde van het hotel stonden de schiettent van Krekel en de hoela-hoep van Jongsma. De draaimolen van Poep Meyer had verschillende stand-  plaatsen. Het ene jaar stond die op het dominee’s plak, een volgend jaar voor het postkantoor. Hetzelfde geldt voor de luchtschommel. De cake-walk van Teun de Vries, later Herman Riddering, stond tegenover het hotel, daar waar nu het parkeerterrein is. Hier stonden ook de stoomcarrousel van Sipkema en/of de bioscoop van Welte, als deze aanwezig waren. Waar nu het perceel Nieuwstraat nr.

1 is, stond vroeger een heel oud huisje. Nadat deze was afgebroken, stonden op het vrijgekomen terrein ook wel de luchtschommel of draaimolen. De kermis duurde drie dagen en ze begon zaterdagsmiddags voor de jeugd met kinderspelen op een stuk land aan de Klinckemalaan, zo ongeveer tegenover de Klinckemaburen. Zondags werd hier de traditionele draverij gehouden. De kinderen gingen in optocht, onder leiding van het onderwijzend personeel, naar het feestterrein. Tussen de gebruikelijke spelletjes door werden versnaperingen uitgedeeld. Als een groep hun spelletjes had afgewerkt, gingen ze naar de draaimolen, waar het gratis draaien was. Eén van de spelletjes voor de oudste jongens was het “blaastrappen”. Weken van tevoren hadden de plaatselijke slagers, op verzoek de varkens- en runderblazen bewaard en gedroogd, welke dan als een ballon werden opgeblazen. De jongens kregen zo’n blaas met een touw aan een enkel gebonden. Binnen een afgebakende ruimte moesten de deelnemers trachten elkaars aangebonden blaas kapot te trappen. Hij, wiens blaas kapot getrapt was, moest het strijdperk verlaten. De laatst overblijvende kreeg de eerste prijs, enz. Meestal waren er drie prijzen. De blazen waren erg taai  en er moest heel wat getrapt worden voor ze kapot waren. Eens had een jongen zo’n opvallend succes met trappen, dat timmerman Harm Hommes, die jurylid was, hem bij de arm pakte en zei: ”loat mie dien klomp’n ains zain oal heer” Hommes noemde iedereen “oal heer” of dit nu de burgemeester was of een jongen.

Hommes had goed gekeken. Er bleek een spijkertje door de zool van de klomp te zijn geslagen. In die tijd droegen de meeste jongens klompen, maar zondags en met feestdagen hadden ze toch wel schoenen aan. Maar er waren wel kinderen uit grote gezinnen, die geen schoenen hadden en zo was het ook in dit geval. De dader kreeg vanzelfsptrekend geen prijs en  snoep meer. Zondags was ,zoals reeds vermeld, de draverij en kwam het publiek uit Zuidhorn en omgeving naar de Klinckemalaan. Voor Bolt van Eiberhof was het dan een thuiswedstrijd. Het publiek  zag de sympathieke Bolt graag winnen. ’s Avonds was er dansen bij Addens .

Lijfering, op de hoek van de ‘ Nieuwstraat had er vaak een accordeonist zitten om de stemming erin te brengen. Van de Friese kant kwam eens een stel lui, die trachtte de stemming te bederven en dan ruzie zocht, maar daar wist veldwachter Fokke Leistra doorgaans wel raad mee. De kermis duurde op maandagavond niet lang. Zo ongeveer van half acht tot half elf. Dan gingen, na afloop, de Zuidhorners de kermis ”begraven” zoals ze dat noemden. Maandagsavonds kwamen er geen bezoekers meer van buiten, zodat het een ”interne” aangelegenheid was. De ”begrafenis” van de kermis duurde meestal wel tot in de kleine uurtjes.