De Lijempf (2)

De Lijempf te Briltil (2)

Ik vermeldde dat de melkrijders in volgorde van aankomst werden gelost. Nu, deze aankomst verliep nogal eens in de wedstrijdsfeer. Als een melkrijder bv. uit de richting Zuidhorn kwam, kon hij zien of er een collega melkrijder uit de richting Enumatil of Noordhornertolhoek kwam. Nu, als dat zo was, dan ging de zweep erover, want iedere verslagen collega scheelde weer een half uur in wachttijd.

Bij de brug op Briltil gekomen ging het wel eens op  twee wielen door de bocht, zodat de bussen met melk eraf slingerden. Gerrit van der Maar had de melkrit van de Gaarkeuken en de Noordhornerga. Hij had meestal een afgedankte harddraver voor de wagen. Misschien minder sterk, maar wel snel. Als de afstand gelijk was won hij  dan ook meestal de race, maar eens toen hij in de strijd tegen een collega uit de richting Zuidhorn gelijktijdig bij de brug aankwam, werd hij van de weg gedrukt met gevolg dat paard, wagen en de gehele vracht melk in het Hoendiep terecht kwamen naast de brug. Er vond zelfs wel eens een wedstrijd plaats in het dorp.

Van de richting Frieshchestraatweg kwamen een zestal melkrijders. Als deze achter elkaar reden dan kwamen ze in aktie bij het naderen van de Nieuwstraat. De één ging dan via de Nieuwstraat en de andere via de Frankrijkerlaan en wie dan maar het eerst de Brilweg bereikte. Het was dan wel zaak om ruimte te maken, vooral als er ook nog een aanhangwagen achteraan bungelde. Een andere melkrijder was Jan van der Werf. Hij had één van de grootste en ook één van de verste melkritten. (Adorp, Wierumerschouw, Oostum). Als er sneeuw lag had hij soms vier paarden voor de wagen. Pekelen was er in die tijd niet bij. Op zijn mooist had een sneeuwploeg de sneeuw wat oprij geschoven. De melkrijder, die het dichtst bij de fabriek zat, was Jetse Holst. Hij haalde de melk uit het zuiden van Zuidhorn en uit het dorp zelf, alsmede van de westzijde van het Hoendiep, tegenover de fabriek. Hij woonde aan de Brilweg (zie blz. 24 fotoboek Rabobank). Jetse was de komiek onder de melkrijders. Hij kon er zo droog mee aankomen.

Als de melkrijders hun beurt moesten afwachten, “groepten” ze vaak bij elkaar. Toen ik op een zaterdagmorgen op een wagen stond om monsters te trekken voor de vuilheidsproef. liet Germ Gorter (bijnaam Germ Hondje) één van zijn honden een in het Hoendiep geworpen stok uit het water halen met goed gevolg. Jetse vond deze prestatie maar matig voor een hond en hij stelde voor hetzelfde te doen als ze (de aanwezige melkrijders) f5.- zouden zetten.

De collega’s, die aan bluf dachten, stemden met het voorstel in. Jetse sprong zo gekleed te water, haalde de stok uit het water en ging lopende naar huis in zijn natte plunje, onder de mededeling: ”jullie maken mijn wagen wel even leeg he? Een uur later was hij terug en merkte op: ”dat was gauw verdiend en ik moest mij vanavond toch verschonen. Dinsdags koppelde hij kleinere wagen aan, waarop een grote blauwe houten bak stond met een koperen kraan. Die bak had een inhoud van naar schatting zo’n 800-1000 liter. De bak kwam vol karnemelk. ‘Als hij de lege bussen terug had gebracht naar de boeren kwam het paard voor de kleine wagen en al bellende ventte hij dan door het dorp. De huisvrouwen kwamen dan aan met emmers en/of pannen en namen dan soms wel 10-15 liter karnemelk en maakten dan karnemelksepap voor de gehele week. Zo was het althans in onze woonbuurt. Pap, yoghurt, vla en dergelijke in flessen was er in die tijd niet. Hendrik Drenth haalde de  melk wel het verst weg. Hij kwam bijna tot aan Assen, uiteraard in een auto De eerste vrachtauto van de Liiempf zelf was een duitse legerauto, merk ”Horch” met massieve banden. De tweede was eveneens een duitse  vrachtauto merk ”Arbenz”. Deze auto had een kettingaandrijving. Er was vaak trammelant met deze krengen, zoals Jouke Lodewegen ze noemde. Dikwijls bleven ze onderweg staan met een gebroken dit of dat. Dan moesten na een telefoontje, Ph. van der Hoek en Eilt Bakker er op hun fiets op af om de auto weer aan de loop te krijgen.

Van der Hoek was de man, die veel verbeteringen aan bracht, welke dan meestal ook vereenvoudigingen waren.

Indien er toen een ideeënbus geweest was zou hij een vaste klant geweest zijn. De melkrijders benutten hun wachttijd nogal eens om een paard te laten beslaan bij smid Koopman (de grondvester van het Internationaal Transportbedrijf Koopman B.V.). Deze woonde aan de weg naar Zuidhorn, ongeveer een paar honderd meter van de brug. Voor de belangen van de boeren was er Ite van Til. Hij moest er op toekijken dat de leveranciers aan hun trekken kwamen bij de weging van de melk, het monster nemen en de bepaling van het vetgehalte. Er kwam ook eens een vetgehalte tevoorschijn van meer dan 6% van de melk van een kleine boer/arbeider van Pasop.

Een onderzoek wees uit dat de man ook de zeer vette geitemelk in zijn melkbus deed. Nu de overname van de margarinefabriek, in 1914, moest overgeschakeld worden op het maken van boter en kaas. Hiertoe haalde directeur van der Wal, die zelf uit Duitsland gekomen was, een zekere Klaas van Dijk uit Friesland. Hij stond bekend als een buitengewoon goede vakman. Van der Wal kende hem uit zijn Friese tijd. Hij was kaaskamer en leerde dit vak onder andere aan Westerhof, J. van Dijk en H. Zeeman.

Hij zelf nam de leiding van de botermakerij. Botermakers waren Feike de Jong, Geert van der Molen en de oude margarinemaker H. Top. Laatstgenoemde en de oude machinist Bergsma waren de laatsten, die indertijd van “De Noordstar” waren overgenomen.

De laatste alinea heeft betrekking op de aanvangsjaren en niet op de jaren 1929-1930. In 1970 werd de fabriek overgenomen door de Domo. welke de fabriek verkocht aan de kaasgroothandel “De Lauwers’,directeur Andringa. De leveranciers werden verdeeld o.a. reeds onder de Domo staande fabrieken n1. Gerkesklooster, Marum en ”De Ommelanden” te  Groningen. Een aantal werknemers, die gehoopt hadden hun pensioen te Briltil te halen, werden nog genoodzaakt naar andere fabrieken, buiten hun woonplaats te gaan werken. Al met al een belangrijk verlies aan werkgelegenheid voor de gem. Zuidhorn en Oldekerk.