De sigarenfabriek Rosema, Tonckens en Co

De sigarenfabriek Rosema, Tonckens en Co, ”La Salvaja” en enige humor hieromtrent

Naast voornoemde sigarenfabriek was er in Zuid-Noordhorn nog een sigarenfabriekje en wel dat van Jac. van der Velde. Hij woonde in het oude tolhuis tussen Zuid- en Noordhorn, daar waar de Noordhorner tocht onder de Rijksweg doorloopt. Zo, ongeveer 1930, hadden we dus een grote noodlijdende fabriek en de werkplaatsen (voor de tabakswet werden ze als fabrieken aangemerkt en moesten aan de wettelijk gestelde eisen voldoen) van de Wit/Bakker, Gebr. Postema en van der Velde. De werkplaatsjes aan de Boslaan stonden op een strook grond, behorende tot de ”swaarde zeuv’n” (zwarte zeven). Op dit land staan nu de percelen Burg. Geldermanlaan 3, 5, 7 en 9. ln de oorlogshaven 1914-1918 waren er in de sigarenfabriek een aantal gevluchte Franse en Belgische gezinnen ondergebracht in de grote zaal van de fabriek.

De werktafels van de sigarenmakers waren wat in elkaar geschoven en enkele in de sorteerkamer geplaatst, zodat er ruimte in de zaal vrij gekomen was, waar de vluchtelingen ”huisden”. De Belgen namen gewoon deel aan het arbeidsproces (stroschuur, boeren), maar de Fransen ‘ ”vertikten” het om te werken. In één ding waren ze aktief  geweest. ze hadden een muurlak geheel wit geschilderd en hierop met fraaie letters geschreven: ”Vive la France en et la Hollande. Kennelijk toch nog enige waardering voor Nederland. Ook in Noordhorn waren Belgen gelegerd in een ruimte gelegen naast het toenmalige café Lijfering, tegenover ”het gold’n houkje. Het betrof hier echter geinterneerde Belgische soldaten, die onder bewaking stonden van Nederlandse militairen. De bewaking was te zien als een formaliteit, want de Belgische soldaten werkten ook normaal, o.a. op de ”stroschuur” . Eén van de Nederlandse militaire bewakers was de voetballer Piet van Dijk, die al met al van zijn legering in Noordhorn een Noordhornse schone hield. ”La Salvaja” nam in Zuidhorn en omgeving een belangrijke plaats in. In 1904 is er kennelijk een belangrijk Rederijkersconcours geweest in Zuidhorn. In het Nieuwsblad van het Noorden van 2 december 1978 las ik het volgende: ”in 1904 arriveerden alle rederijkers gezamenlijk per trein in Zuidhorn, waar op het perron het Wilhelmus gespeeld werd door het sigarenmakersmuziekkorps ”La Salvaja” . Opgemerkt wordt echter dat niet alle muzikanten sigarenmakers waren. Ook bij andere gelegenheden was ”La Salvaja” desgevraagd present. Zo b.v. bij kermissen, hardrijderijen op de schaats etc. Was er op dezelfde dag in verschillende plaatsen iets te doen, bij. een hardrijderij op de schaats, dan splitste het korps zich. De ene helft ging b.v. naar Ezinge en de andere helft b.v. naar Briltil. Dirigent, in de glorietijd van ”La Salvaja”. was een zekere Rose, een Duitser. (Ik weet niet of zijn naam goed geschreven is), Hij woonde te Groningen en zal vermoedelijk lid geweest zijn van het ”GOV” (thans filharmonisch orkest). Volgens D. Miedema moet deze man bijzondere kwaliteiten gehad hebben.

Vooral in een bepaald solo-spel moet hij geweldig geweest zijn. De laatste dirigent was Geele. Hij was brugwachter op de oude draaibrug over het Aduarderdiep te Nieuwklap.

Bij een hardrijderij op de schaats te Briltil was ook een gedeelte van ”La Salvaja’? aanwezig. Ze zaten terzijde van de hardrijdersbaan op lichte houten caféstoeltjes. Mijn vriend Jacob Ploeg en ik wilden ook eens stoer doen door op de echte baan te gaan rijden, maar hadden niet in de gaten dat er een paar echte rijders startklaar stonden voor een rit. Door het geroep van het publiek raakten we in paniek. Onze schaatsen haakten in elkaar en al vallende en glijdende schoten we recht op het muziekkorpsen aan en schoven het gehele korps in elkaar op hun lichte stoeltjes. We lagen temidden van muzikanten, instrumenten en stoelen. lk zag nogal gauw kans om uit de kluwen te komen, maar vriend Jacob had er meer moeite mee, want hij zat met de punt van zijn schaats dwars door het trommelvlies van de kleine trom van Sies Miedema en kon deze niet kwijt worden. Ook in de fabriek zelf was men niet geheel van humor ontbloot. Eén van de gangmakers in deze was Aiko Overkamp, één van de bewoners van de 8 sigarenmakerswoningen. Hij had een ernstige ruggegraatsvergroeiing. een bochel in de volksmond. Hij gek scheerde echter zelf het meest met zijn gebrek. Zo had men eens een fotograaf uit Groningen ontboden om gezamenlijk op een foto te gaan. Toen alles klaar stond voor het beslissende moment ontdekte men dat Aiko ontbrak. Een onderzoek wees uit dat hij heel rustig bij zijn tafel zat te werken. Op de vraag waar blijf jij toch, was het antwoord: ”lk heb mij maar bedacht, want als ik met mijn bochel op de foto kom, dan bederf ik het voor jullie allemaal, want dan wil jullie album niet dicht”.