De sigarenfabriek

De sigarenfabriek Rosema, Tonckens en Co.

Volgens ”Dorp- en Stadskroniek van Groningen” door J . Venhuis, vond op 23-2-1877 de aanbesteding plaats van het bouwen van een sigarenfabriek met behuizing en knechtenwoning. Hierachter werden nog 8 sigarenmakerswoningen gebouwd (2 blokjes ieder van 4 woningen).

Dit complex was gelegen tussen de Gast en de Boslaan en van het geheel is alleen nog voornoemde behuizing over en thans genummerd de Gast 26. De behuizing werd bewoond door de oude heer Jan Rosema en later door zijn zoon Halbe. De heer Tonckens woonde te Noordhorn.

De fabriek lag achter de villa en bestond uit: beneden een grote zaal. waarin de werktafels van de sigarenmakers stonden, verder een sorteer- en een droogkamer. Boven een pakzolder en de knechtcnwoning, bewoond door een zekere Pier Kramer. Deze was tabaksweger, onderhield de sier- en moestuin van de familie Rosema, alsmede de gebouwen. Een manusje van alles, die te pas en te onpas vertelde dat toen hij jong was de ouden het verstand hadden en nu hij oud was de jongen het verstand hadden en hij het zodoende nooit had gehad. Achter de fabriek een moestuin. omgeven door een hek en daarachter de sigarenmakerswoningen, resp. bewoond door de families Bijzitter, de Vries (later Frankes). Bakker, Wegter, Jonkman. Noordhof. Overkamp, Brilstra (later van der Naald). Er liep een smal paadje vanaf de spoorwegovergang. pal langs de noordelijke muur van de fabriek. tot de woningen. Voor de woningen lag een breed pad, met een klinkerpaadje vlak onder de ramen langs en aan de andere kant van het pad een zgn. overtuintje en hierachter lag nog een gedeelte van de vroegere gracht van het kasteel Hanckema, welke toen reikte vanaf de villa van de familie Rosema, tot achter het thans genummerde perceel Boslaan 31 en daarna in zuidelijke richting afboog tot de Hanckemalaan. De gracht lag in de luwte van de fabriek en huizen enerzijds en de Hanckema-kwekerijen van de familie Weitering anderzijds en was daardoor een ideale ideale plek om te schaatsen als er ijs was. De toestand is weergeal geven van zo’n 60-70- jaar geleden (tekst uit ongeveer 1989, dus inmiddels meer dan 80-90 jaar geleden) , maar toen was het of hoogtepunt in het bestaan van de fabriek al enkele tientallen jaren voorbij. De grootste bloeiperiode van de fabriek heeft vermoedelijk gelegen rond de jaren 1890- 1900. Mijn vader begon zijn loopbaan als sigarenmaker in 1887, als 9-jarige jongen. Men begon als tabakstripper (de tabaksbladeren van de hoofdnerf ontdoen). Er werkten in genoemde periode zeker 35 personen. Het belangrijkste merk sigaar heette ”La Salvaja”. Er was een eigen uitvaartverzorging en ook een eigen muziekkorps en deze heette, hoe kon het anders ook, ”La Salvaja”. Dit corps .  nam een belangrijke plaats in in Zuidhorn en Omgeving.

Wat was nu eigenlijk de oorzaak van de kentering in de produktie?

Waarschijnlijk de opkomst van de grote Brabantse sigarenfabrieken, maar volgens de algemeen geldende mening was ook de inzet van Halbe Rosema niet groot. Het was alsof hij niet geînteresserd was in het resultaat van de fabriek. Hij had er ook een soort arbeidsbemiddelingsbureau bij en zond zijn sigarenmakers dan ook dikwijls naar de ”stroschuur” van de N.V. K. Smit .en/of naar de ”Lijempf” te Briltil, voor los werk. Enkelen van hen zagen de mogelijkheid om een boterham te verdienen als sigarenmaker. door voor eigen rekening te beginnen en zo verscheen er aan de Boslaan, daar waar nu de percelen Boslaan nr. 7, 7a en 9 staan, twee werkplaatsen. Mijn vader startte als eerste. maar nam een paar jaar later zijn oud-collega J . Bakker als compagnon op.

Kort daarop begonnen de gebroeders W. en P. Postema.

Deze vier personen hadden gemiddeld zo’n 30 tot 35 jaar bij de Fa. Rosema,  Tonckens en Co. gewerkt. Zij verkochten rechtstreeks aan particulieren. Een aantal sigarenmakers hadden zich te Groningen gevestigd en daar als zodanig werk gevonden . Weer een ander aantal waren door leeftijd en of overlijden afgevoerd . In de jaren rond 1930- 1935 werkten er nog een 3 a 4tal oudgedienden .

Langzaam bloedde de zaak dood. In de Oorlogsjaren 1940- 1945 probeerden een zekere Dekker en Tömmers de fabriek nieuw leven in te blazen door, particulieren eigen geteelde tabak te verwerken tot rooktabak, shag of sigaren. Dit werd echter van overheidswege verboden. Nadien is er nog een kinderwagenfabriek gevestigd geweest, maar deze is ook weer verdwenen.