De touwslagersbaan

De touwslagersbaan

 

Tegenover het kerkhof aan de Noorderweg was een landweg, op het eind waarvan een boerderij stond en nog steeds staat van de familie Geert Veenstra. Halverwege daar waar de Noordwijkweg uitkomt op de tegenwoordige Touwslagersbaan, stond ”de baanhut” van de touwslagerij van de familie Huizinga. Een aantal jaren geleden is al eens een bijdrage opgenomen in het vvv-maandblad over deze touwslagerij door wijlen Tjeerd van Hoogen, aan de hand van gegevens van Joh. Lodewegen, die vijf jaar aan het rad had gestaan bij de familie Huizinga. Zelf had ik een onderhoud met Jan Schuitema inmiddels ook overleden in 1979, die ook ruim een jaar aan het rad had gestaan.

Een samenvatting van de gegevens van genoemde personen , als med e die van mevr G Jutting-de Haan te Groningen, een nicht van de Huizinga’s,  kan als volgt worden weergegeven;

De touwslagerij van Noordhorn

 

Zo rond 1900 werd het bedrijf’ gevoerd door de broers Auke en Roelf Huizinga, resp. geboren in 1870 en 1875.  De stichter van de touwslagerij was hun vader, die indertijd uit Friesland was gekomen en zich te Noordhorn had gevestigd Hij zou vrij jong zijn overleden. De familie Huizinga woonde aan de Noorderweg (nu nr.31) Na het overlijden van moeder Huizinga voerde dochter Geeltje (een tweeling-zuster van Roelf) de huishouding. Plm. 1912 werd in het gezin Huizinga een nichtje opgenomen. Zij woonde met haar ouders in Amerika Haar moeder overleed toen zij drie jaar was waarna haar vader terugkeerde naar Holland. Hij overleed toen zij negen jaar was en het nichtje werd liefderijk opgenomen in het gezin Huizinga aan de Noorderweg. Aan het woonhuis was een winkel verbonden van waaruit de verkoop van touwprodukten plaats vond. Ook vond verkoop plaats door wederverkopers en door een persoon die met een zgn. “touwkiep” op de fiets langs de boeren ging.De laatste persoon die dit nog deed was E. Geertsema, van wie ook nog de zoons Harm en Douwe aan het wiel hebben gestaan. Het draaien van het wiel, door één persoon, werd later overbodig doordat de stelmaker Jan Schuitema (de vroegere medewerker) hiervoor een metertje plaatste.

Maar nu de fabricage. Als grondstof werd gebruikt vlas en russische hennep. Deze hennep was ruw en in pakken geperst en plm. 1 ½  meter lang (een kerelslengte noemt Joh. Lodewegen dit).

Ze moest nog gezuiverd worden (gehekeld). Dit gebeurde op een hekelbank, waarop ijzeren pennen, in rijen, waren aangebracht. De hennep werd hierop uitgekamd. De korte vezels werden er doorgetrokken. Van de lange vezels werd  kwaliteitstouw gemaakt, zoals strengen, tetsen, achterbinden ed. De korte vezels werden gebruikt voor mindere kwaliteitsprodukten, zoals hoorntouw (2e draads) en karweitouw. Later werd hennep ingevoerd uit Brits Indië, de zgn. ”Bombay-hennep” maar dit bevatte veel meer stof dan de russische hennep. Als de ”Bombay-hennep” gehekeld werd kon je elkaar in de hut niet zien. Het hekelblok was achter in de schuur, het rad aan de voorzijde.

Van lieverlee verdween het vlasbouw, toen er in de 20-er jaren sisal op de markt kwam (sisal is bladvezel van de Agave Rigide en naderhand ook manilla (manilla is de vezel van een soort banaanboom, De musea textilla, die op de Molukken en de Philippijnen voorkomt). Touw, dat onder alle omstandigheden werd gebruikt, werd in de bruine teer gekookt in een grote koperen ketel. Getaand werd met cachou, waar het touw een rood-bruine kleur kreeg. Cachou is een looistofhoudend extract uit de bast van oosterse bomen zoals de acacia catechu). Mensen met de verstopte luchtwegen kwamen wel in de damp van de ketel staan. Dan loste het slijm op en was de zakdoek te klein. De ree van Veenstra stond haaks op de Noorderweg.

Naast deze ree was een pad en langs dit pad stonden palen  (spoorbiels), met dwars er in zgn. ”krukken” met opstaande pennen. In de palen, boven de ”krukken” zaten spijkers, waarover de draden hingen, daar deze anders op de grond zouden slepen. De hulpen moesten ’s morgens en s avonds de ”krukken” in de palen zetten, resp. weer uithalen. Op het eind van de palen was dan de schuur.

Auke en Roelf Huizinga waren spinners. Ze hadden dan een bos hennep bij hun broeksband in en liepen al spinnend vanaf de schuur, ruggelings, naar het eind van de baan.

Er werd touw gemaakt van plm. 100 meter lengte. Auke was de baas bij het spinnen. Hij hekelde ook. De beide broers spraken bijna nooit tegen elkaar. Alleen in uiterste (zakelijke) noodzaak. De erge doofheid van Roelf was hiervan wel de voornaamste reden. De Huizinga’s waren bekend om hun kwaliteits-produkten. Er werd in hoofdzaak touw gemaakt voor het boerenbedrijf. Er werden ook wel halsters en halsbogen geweven. Vanaf 1922 werden er heel wat mijntrossen door de Huizinga’s uit elkaar gehaald.

Er waren soms kabels bij van meer dan 500 draden, Van de buitenste draden, met teer en olie besmeurd, werden stal-hoorntouwen gemaakt (touw waaraan een koe  werd verkocht). Van de binnenste, schone, draden werden stal-hoorntouwen gemaakt. Duizenden hoorntouwen werden afgeleverd en het splitsen ervan gebeurde in een tempo van 80-100 meter per minuut (deze mijntrossen werden vermoedelijk door de marine afgestoten, nadat na de oorlog 1914-1918 de marine de mijnen had geveegd.

 

Auke, die zich altijd Auke Halbes Huizinga noemde overleed in 1954 op 83-jarige leeftijd. Nadat Auke was overleden werd het bedrijf gestaakt. Enige tijd later werd tweeling Geeltje en Roelf opgenomen in het gezin van voornoemde nicht, de familie Jutting, te Groningen. Het toeval wilde dat deze onze buren waren, waardoor ik nog heel wat met Roelf heb kunnen praten over Noord- en Zuidhorn, want hij woonde dan weliswaar in Groningen, in gedachten leefde hij nog in Noordhorn. Hij kon hele verhalen vertellen over de touwslagerij en de boeren, welke ze als klant hadden. Ik luisterde meestal, want ik kon mij vaak moeilijk verstaanbaar maken. Hij was zoals gezegd wel erg doof. Geeltje overleed in 1960 en Roelf in 1967 op 91-jarige leeftijd. Dit alles is verleden tijd en ik kan mij best de nostalgische gedachten van J. Lodewegen indenken die als 13-jarige jongen aan het wiel stond te draaien voor .f 2.50 per week, bij een 60-urige werkweek. ‘ Hij zegt: als ik nu de Touwslagersbaan langs kom, zie ik een keurige straat met nieuwe huizen, maar in mijn herinnering blijft het beeld van vele jaren geleden. De oude reed met elzenbomen, de geteerde ”baanhut” met het wiel dat ik zoveel duizenden keren draaide. Auke en Roelf met een bos hennep om hun middel aan het spinnen, iedere tien minuten 120 meter. Hun melkschaap aan de lijn op de berm te grazen. De jongen, die in de hut stond te draaien, fluitende of zingende om de eentonigheid te vergeten. want het was heel wat voor een levenslustige jongen om maar steeds achter dat wiel te staan, zomer en winter, in warmte en kou.