Het belang van ligging aan een spoorlijn

Het belang van ligging aan een spoorlijn.

 

We gaan nog eens 60 à 70 jaar terug. Volgens gegevens kwam de spoorweg Leeuwarden-Groningen 1 juni 1866 tot stand en werd Zuidhorn van een spoorwegstation voorzien.

Wat was hiervan het voordeel voor Zuidhorn? Vele gemeenten hadden zich beijverd om de spoorlijn door of langs hun gemeente te krijgen en, hoewel niet bekend, mag aangenomen worden dat Zuidhorn hiertoe ook behoorde.

In de ligging aan een spoorlijn werd een economisch voordeel gezien. Zo rond 1860 had Zuidhorn geen enkele industrie. Er werd alleen landbouw en veeteelt uitgeoefend. De sigarenfabriek van Rosema Tonckens en Co. werd in 1878 opgericht, maar bij de keus van de plaats van vestiging zal de aanwezigheid van een spoorwegstation zeker een rol hebben gespeeld. Het is namelijk bekend dat 80 à 90% van de produktie werd geexporteerd. De ”Lijempf “ werd in 1881 opgericht. Het bedrijf was gelegen aan al het Hoendiep en haar produkten werden bijna uitsluitend per boot vervoerd. Als ’s winters de kanalen dicht gevroren waren, vond vervoer per trein naar Leeuwarden plaats.

Het is niet bekend wanneer de Handelsonderneming v/h K . Smit is opgericht. Zij vervoerde alles per spoor. Er was veel export naar Duitsland en Tsjecho-slowakije.

Ettelijke wagons met hooi, stro en haksel werden uitgevoerd. Indien deze onderneming in 1866 bestaan zou hebben, zou zij ook één van de beijvenaars geweest kunnen zijn. Zou zij na 1866 opgericht zijn dan laat de plaats van vestiging, n.1. naast de spoorlijn en station, aan duidelijkheid niets te wensen over. Door de aanleg van een spoorweg werd Zuidhorn een verzorgingsgebied voor het grootste gedeelte van het Westerkwartier. Veel gezinnen met schoolgaande kinderen vestigden zich in Zuidhorn vanwege de spoorwegverbinding met Groningen. Rentenier-boeren vestigden zich hier omdat zij gemakkelijk de veemarkt of korenbeurs konden bereiken, waarin zij direkt of indirekt nog wel bij betrokken waren. Vanaf Zuidhorn vertrokken postkoetsen naar vele gemeenten in het Westerkwartier. De postkoetsen naar de gemeenten Leek, Marum en Grootegast genoten grote bekendheid. Vertegenwoordigers kwamen per trein naar Zuidhorn om verder per fiets hun , klanten in het verzorgingsgebied te bezoeken. Bij de aanleg van een spoorlijn werd er van uitgegaan om zoveel mogelijk dorpen te bereiken èn zoveel mogelijk verkeersobstakels te ontwijken. Voor Zuidhorn lag dit nogal gunstig. De spoorlijn kwam in vrij rechte lijn te liggen tussen Grijpskerk en Groningen, ze ging tussen de dorpen Zuid- en Noordhorn door en er kon oostelijk van het Hoendiep worden gebleven, waardoor een kruising met dit toen drukke vaarwater kon worden vermeden, hetwelk voor al beide partijen geen tijdverlies betekende. Helaas, het  stationsgebouw bestaat niet meer. Het goederenvervoer is overgenomen door vrachtauto’s. Ik herinner mij wel goederentreinen met zo’n 60 tot 80 wagons. Er was dan je vaak een tweede locomotief die de wagons van achteren opduwde We hingen dan over de gesloten spoorbomen om de wagons te tellen. Soms moest een gedeelte van een goederentrein, vanwege zijn lengte, op een derde spoor gerangeerd worden om een personentrein te laten passeren. Als bijzonderheid wil ik nog vermelden dat na de verschijning van het boek ”Gisteren voor de lens” ik een foto ontving van Greetje Vredeveld-Loppersum uit Nieuwe Pekela, waarop haar overgrootvader was afgebeeld. Hij zou de eerste overwegwachter na de opening in 1866 geweest zijn. De foto was meer dan 120 jaar oud Hij woonde toen in de Kerkstraat-oost, in het kleine huisje oostelijk van de rjjwielzaak Tempel. Greetje is een dochter van de te huisschilder Albert Loppersum, die samen met Klaas Anneyes indertijd het schildersbedrijf overnam van de gebroeders Poppema (thans Bergsma) Een afdruk van deze foto bevind zich in het foto-archief van de Historische Kring

 

Verhaal overgenomen uit Herinneringen aan Zuidhorn, geschreven door dhr J. de Wit