Het Middelland (2)

Zuidhorn 50-60 jaar geleden (inmiddels 70-80 jaar)

Verhaal overgenomen uit het VVV-blad van maart 1990, geschreven door dhr J. de Wit

Het Middelland

Zo werd vroeger het gedeelte van Zuidhorn, gelegen tussen Jellemaweg/Holtweg-Trekweg/Hoendiep-Brilweg en de Zuidpolder genoemd. Het stuk nû begrensd door de Adm. de RuyterstraatJellemaweg-Thomas v. d. Dijkweg en Burg. Cleveringalaan bestond uit volkstuintjes. Ergens ter hoogte van de boerderij ”Het Witte Hek’ aan het Hoendiep lag nog een stuk bouwland, waarop een stenen schuur stond. Land en schuur waren in gebruik bij Knelis Smit van de ”stroschuur”. De toegang hiervan was aan de Trekvaart. De rest van het ”Middelland” was alles groenland, in eigendom en/of in gebruik bij de familie’s Van Slochteren, Ronda, de gezusters Kee en Bouwina Mulder, de weduwe Gerrit Staal, Tiemen Mulder en anderen.

Als we niet bezig waren met de toen gebruikelijke spelletjes zwierven we in voorjaar en zomer vaak in het ”Middelland”. Onder ”we” waren te verstaan

Barteld Beereboom, Piet v. d. Noord, Hein Vondeling, Bertus Koop, Sietse Drentje en ondergetekende.

Behalve Bertus, die in de Kikkersteeg woonde, woonden we allen rond de hoek Nieuwstraat/Jellemaweg. Laatst genoemde weg heette toen Achterweg.

We gingen dan in westelijke richting langs Nijland’s ree. Deze ree lag waar nu de huizen aan de noordzijde van de Adm. de Ruyterstraat staan. Het eerste doel was Van Slochteren’s zwieneslootje om te kijken of er ook ”stiekelspoorntjes” waren. Over deze sloot lag een plank om van het ene stuk land naar het andere te komen. We lagen dan met de buik op die plank om te zien of we ”stiekelspoorntjes” zagen.

Als dit het geval was dan werd een hengelstok gemaakt van een stokje, een stak naaigaren en een tot haak omgebogen speld. Een paar uit de grond getrokken graszoden leverden meestal wel een paar wormen op. Een eventuele vangst werd gedeponeerd in een stopfles en later verdeeld.

Het water in dat slootje was zo helder dat je de bodem kon zien. Je kon zien als een stekelbaarsje de worm belaagde. Een dobber was dan ook niet nodig .

Deze sloot was ook de leverancier van kikkerrit (dril) als de tijd daar was.

Als aquarium diende ook weer een stopfles. Die plank lag zo ongeveer daar, waar nu de huizen staan aan de oostzijde van de Piet Heinstraat. De sloot liep van oost naar west.

We zwierven via dammen en pendammen (schutdam) door de weilanden tot aan de tocht van de Zuidhorner-zuidpolder. Er was altijd wel iets dat ons interesseerde. We kenden alle weidevogeis en alles wat er in de sloten leefde. In de rooitijd hielpen we de boeren met hooimijten en mochten dan ook wel een paar slokken uit het ”drinkenkruikje” nemen, dat om koel te blijven doorgaans in een sloot hing, vastgezet met een stok en een touwtje. De inhoud bestond meestal uit karnemelk, maar ook wel uit een mengsel van azijn en stroop. De kruik of fles moest eerst even flink geschud worden. Het heette dat azijn met stroop het beste middel tegen dorst zou zijn.

Om over de tochtsloot te komen hadden we een polsstok nodig en die vroegen we aan Hendrik Nijland, de houthandelaar. We kregen wel de boodschap mee dat de stok weer heel terug moest komen.

Eenmaal over de tochtsloot was het doel het stuk bouwland van Knelis Smit Handelsonderneming v/h K. Smit of de suikermelkvaten op de kade vöör de ”Lijempf”.

Op het bouwland werden, zo om en om kroap’n (koolrapen) en wortels (wortelen) verbouwd, vermoedelijk als veevoer voor de paarden van de ”stroschuur” van Smit. Er werden een paar koolrapen of wortelen uit de grond getrokken, welke werden schoongespoeld in een sloot en dan werd al knabbelende de terugtocht aanvaard.

Als we dorst hadden schepten we met een klomp water uit een sloot en dronken hieruit.

Een grote belevenis was wel dat we eens een haas vingen in het ‘Middelland. Er schoot op een gegeven moment een haas vlak voor onze voeten weg om plm. 100 meter verder, na een buiteling, weer neer te vallen. Wij er natuurlijk achteraan en na enkele pogingen ving Hein de haas onder zijn jasje, welke hij over de haas gooide.

Toen met de, van angst sidderende haas onder de jas, in triomf naar het dorp en iedereen vertellende dat we een haas gevangen hadden,maar wat we als jongens van 10-11 jaar niet wisten dat het hier een door een jager aangeschoten haas betrof en deze was volgens het toen geldende recht eigendom van de jager.

Vader Vondeling hielp het sidderende dier uit zijn lijden door een flinke nekslag maar enige tijd later meldde zich de jager, vergezeld van een helper, die een 3 à 4-tal dooie hazen op zijn rug aan een polsstok had bungeIen. De jager had middels zijn verrekijker gezien dat de haas gevangen was door een stel jongens, die gemak kelijk op te sporen waren want ze hadden hun vangst luide verkondigd. De jager vorderde de haas op en hoe vader mondeling ook protesteerde het hielp allemaal niets. Hij moest de haas wel afgeven en hij deed dit door de dooie haas voor de voeten van de jager te gooien, vergezeld van een aantal woorden, welke ik hier maar niet zal weergeven.

Het ”Middelland” is er niet meer en helaas ook niet meer voornoemde vrienden. Als ik in Zuidhorn ben en door de straten rijd, welke nu liggen in het vroegere ”Middellandse”, denk ik altijd met weemoed aan die tijd én aan mijn vrienden Barteld, Bertus, Hein, Piet e n Sietse . Als één van ons niet over maar in een sloot terecht gekomen was dan hielpen we elkaars kleren uit te wringen en vormden een  eenheid bij een ruzie met jongens uit een andere hoek van het dorp, die naar onze mening ons territorium waren binnengedrongen.

Jeugdherinneringen.

We woonden in een huis, dat stond tegenover het kerkhof aan de Jellemaweg. Het huis, een 2-gezinswoning , is al afgebroken, Ze werd ”het Voshool” genoemd en stond op de plaats, waar nu de showroom van Garage Boerema is. Onze buurman Buiter had een aangebouwd schuurtje, dat grensde àan de boerderij va n Jonas en Roosje Israels. Wij hadden een schuurtje aan de overkant van de ree , welke naast ons huis lag en leidde n aar de huizen van de bokkenrijder Fokke Boonstra (nu marktterrein) en de oud-schipper en winkeIier/caféhouder Bake Datema (dit perceel bestaat nog, nu Stavasius, schoolstraat 5).

In de schuur werd de voorraad turf opgeslagen, plaats voor de fietsen en in de hoek het bekende ”huuske”.

Aan één van de balken een boeier (schommel). Langs de ene wand van de schuur was een konijnenhok aangebracht. Een langwerpig geval, verdeeld in 4 à 5 vakken, met in ieder vak een konijn. De voorzijde, waaraan de ruiven, was in haar geheel afneembaar, Nu was het een order dat de deur van de schuur altijd dicht moest, Dat was niet alleen voor de inloop, maar ook voor de inkijk in het geval dat er iemand op ’t huuske zat. Mijn broer en ik vergaten nog al eens die deur dicht te doen.

Zo stond de deur eens open en een loslopende hond had de reuk van de konijnen te pakken gekregen en was de schuur binnengedrongen. Hoe het mogelijk geweest is weet ik niet, maar die hond heeft kans gezien de voorzijde van het hok te forceren. Alle 5 konijnen had hij verscheurd. Twee konijnen hadden jongen en een derde moest binnenkort jongen krijgen. Hij was nog bezig een konijn te verscheuren toen mijn moeder binnen kwam.

Zij had de tegenwoordigheid van geest om onmiddellijk de deur dicht te trekken, zodat de hond niet kon ontsnappen . Onze buurjongen, Louwe Buiter, herkende, via een raam, de hond als zijnde van bakker Smid.

Het verdere verloop was dat rijksveldwachter Beyering er bijkwam, die bakker Smid er bij haalde en deze erkende dat het zijn hond was. Naar mij later verteld werd, was er een financiele regeling getroffen, waarbij de schade werd vastgesteld op f 25,-.

Op verzoek van Smid werd de hond doodgeschoten door Beyering.

AI met al had vader de aardigheid van konijnen af en hij kocht voor de f25,- een 10-tal kippen. Het waren geen raskippen, maar het eieren leggen kon een raskip ze niet verbeteren. Als vader van de sigarenfabriek kwam was zijn eerste gang naar het kippenhok om te zien hoeveel eieren er die dag gelegd waren. Het resultaat was zo’n 8 à 9 eieren per dag. Meermalen had vader gezegd: ”Ik hoop dat ze nog eens alle 10 op dezelfde dag leggen.

Om hem te plezieren had moeder op een dag één ei bij de reeds gelegde eieren gelegd, zonder deze vooraf geteld te hebben en laat nu de kippen die dag alle 10 leggen, met het resultaat dat vader ’s avonds 11 eieren in de hokken vond. Dit kwam hem ook weer onwaarschijnlijk voor en moeder moest toen wel met de waarheid komen. Hij voelde zich toen wel genomen ondanks alle goede bedoelingen. De niet zelf gebruikte eieren, werden ingeruild bij winkelier Geertsema in de Nieuwstraat (waar nu Danhoff) tegen levensmiddelen.

J. de Wit