Het Verkeer (2)

Het verkeer

Er is reeds over het lokale verkeer geschreven, maar hoe stond het met het verkeer tussen Zuid- en Noordhorn enerzijds en stad Groningen en omgeving anderzijds’?.

Als oudste vervoermiddelen komen wel in aanmerking de snik en postkoetsen. Voor Zuidhorn was dit de snik van de familie Datema en voor Noordhorn die van de familie Auwema. Van de postkoetsen is in dit boekje verteld.

Het belangrijkste vervoermiddel tussen Zuid- en Noordhorn enerzijds en Groningen anderzijds was wel de trein.

Extra druk was het op het station als de ”schooltrein” om 5 uur s’morgens vertrok naar Groningen en ’s middags omstreeks vijf uur terug kwam. Deze namiddagtrein werd ook wel “krantentrein” genoemd, omdat hiermede de kranten kwamen, welke door de familie Kapma en Werkman werden bezorgd in resp. Zuid- en Noordhorn. Enkele renteniers die de bezorgers niet konden afwachten, namen de krant bij het station al in ontvangst. Kwamen er treinnreizigers aan die verder moesten dan Zuidhorn, dan konden ze terecht bij de rijtuigenverhuurderij van de stationskoffiehuishouder Bennema of die van Van der Helm aan de Gast (nu nr. 56a). In 1926-1927 kwam de eerste autobusdienst en wel tussen Groningen en Leeuwarden. De bussen waren van het merk ”Daag”. Direkteur was volgens opschrift, R. van der Bij. Deze busdienst werd later overgenomen door de ”Gado” en ingekort tot Groningen-Visvliet. Ze was erg gemakkelijk voor de Noordhorners. Deze konden nu in hun dorp instappen en behoefden niet eerst meer naar het station in Zuidhorn. De voerlieden Drenth, van Slochteren-van der Velde vormden een belangrijke schakel in het lokale verkeer, maar men kon ze ook tegen komen buiten Zuidhorn. Als ze zand haalden van een zandgraverij in Niekerk, met de ”zwienewoagen” naar de markt in Uroningen gingen of gekapte bomen ophaalden voor de klompenmakers Sipke de Wit, Derk Diikstra of Hendrik Meerte. Deze voerlieden hadden ook een rijtuig voor de verhuur, o.a. bij rouw en trouw.

Boderijders voor Zuidhorn waren Fokke Boonstra Job Datema. Boonstra woonde tussen de Jellemaweg en de Schoolstraat, daar waar nu het jachtterrein is.

Hij reed eerst met een hondekar en later met paard en wagen op twee wielen. Van Job Datema werd in dit boekje al verteld. Als derde begon Joh. Linstra een bodedienst op Groningen, welke later werd overgenomen door Jan Veninga, Piet vd. Ploeg en Klaas Boerema. Van deze drie diensten is alleen laatstgenoemde overgebleven (nu Henk Boerema). De bodekarrijders van Noordhorn waren

Abel van Oosten (later zijn schoonzoon Joh. Busscher) Klaas Bok (later Jan Hiemstra en Piet van Lune) en Piet de Jong (later zijn zoons Hendrik en Jan). Mevrouw Bok ging altijd met haar man mee naar Groningen. Zij, in de wandel Coba genoemd, was de vertrouwenspersoon voor de dames als het om dingen ging, welke op het terrein van de vrouw lagen. Een krant voor het raam waarschuwde haar dat er een boodschap was. Verder kon men tegenkomen de strowagens/auto’s van Knelis Smit (Handelsonderneming v/h K. Smit) aan de Hooiweg. Zij

haalden hooi en stro uit de wijde omgeving van Zuidhorn.

Dan de melkwagens, welke vanaf de Friesestraatweg kwamen om de melk af te leveren bij de Lijempf te Briltil. ze probeerden elkaar in het dorp te passeren, want aan de fabriek gold de regel: ”wie het eerst komt, het eerst maalt” . De ene wagen ging dan door en langs de Nieuwstraat-lellemaweg en de andere langs en door de hoofdstraat-Frankrijkerlaan. Soms ging de zweep erover om maar het eerst bij de Brilweg te zijn. De melkrijders maakten er een soort wedstrijd van, maar het ging niet zozeer om de tijdwinst. Ook kon men voormiddags tussen Zuidhorn en Oldehove-Niehove nog tegenkomen Job Bakker, die met de postkar de post moest brengen en halen van Zuidhorn naar en van genoemde dorpen. Namiddags deed hij hetzelfde maar nu niet met de postkar maar met een postzak op de rug. Later de postbodes van Oldehove-Ezinge-Niekerk-Enumatil op hun fiets. Enkele van hen hadden een hond voor of naast de fiets om te trekken.

Hoewel niet of weinig doende hebbende met het verkeer in Zuidhorn zij toch nog vermeld dat er een paar ondernemende inwoners waren, die deel namen aan het (vracht) verkeer met het zuiden en westen van het land. Zo exploiteerden Jan Zeeman (die zijn melkloop over had gedaan aan Joh. Wegter) en zijn zwager Piet van der Ploeg (eerder Gado-chauffeur). onder de naam ”De Zwaluw” een vaste dienst tussen Groningen en Breda. Ik had in die tijd 14 vakantiedagen maar geen geld om vakantie te houden daar ik door een chronische ziekte van mijn vader nagenoeg mijn gehele loon moest inleveren. Sociale voorzieningen waren er toen niet. Toch wilde ik wel iets van Nederland zien en ging daarom in die 14 dagen drie à vier reizen meemaken naar Breda. lk reed die grote vrachtwagens ook wel . In die tijd had men een rijbewijs voor auto’s, waarop men behalve personenauto’s, ook vrachtwagens en bussen mocht besturen. A. Drenth en J. Hiemstra, die zijn bodedienst had overgedragen aan P. van Lune, ondhielden een vaste dienst tussen Groningen en Amsterdam- Zaanstreek onder de naam ”Res Nova”. Bertus Koop nam naderhand het aandeel van Jan Hiemstra over. Als Bertus in stemming was en dat was hij doorgaans wel, dan zong hij: “de Res Nova is snel, de Res Nova is snel, de mensen aan de Smildervaart die weten het wel. Als derde exploiteerde Jan Drenth een vaste dienst oo Amsterdam-Haarlem er onder de naam ”Gruno” Als vierde was er dan nog de ‘lijndienst ”Rival” van Groningen naar Tiel van Jan Faber en Hoite Hiemstra. De ”Rival” had de vaste gewoonte om van de Tieler Dijk af te tuimelen. De zetter van dit boekje (Wietse Hekkema) heeft met de ”Rival” in de vakanties verschillende ritten als 14-jarige jongen meegemaakt en één tuimeling van de ”Rival” meegemaakt, vier keer over de kop en we kwamen netjes onder aan de dijk weer op de wielen terecht. Hij kan zich zelfs nog herinneren wat de lading was: 10 ton bretels (toen hupzelen genoemd), een ervaring om nooit te vergeten, maar alles liep verder goed af .

Overgenomen uit het boekje “Herinneringen aan Zuidhorn” door dhr J. de Wit