Het verkeer (door Jan de Wit)

Het Verkeer

Hoe stond het met het lokale- en interlokale verkeer in Zuidhorn in die jaren? Wat kon men tijdens een wandeling door Zuidhorn zoal zien en tegenkomen op straat? Om bij het lokale verkeer te beginnen waren dat de wagens van in de voerlieden

Jan Drenth en Louwe van der Velde (eerder Hilbrand van Slochteren) geladen met stenen, zand en grind. bestemd voor de timmerlieden-aannemers Reinder

Huizinga, Harm Hommes, Albert Postema, Derk Dijkstra en Job Notenbomer en turf voor de burgerij, scholen enz.

Zij haalden het materiaal van Briltil of het Akkerend waar met schepen werd aangevoerd. Was een schip te groot of te diep geladen dan bleef het op Briltil liggen. Was dit niet het geval, dan voer het door de Schipsloot tot het Akkerend. Als het schip Grietje van Jan Hut of de Nova Cura van Thomas Zuidema voor de wal lag, geladen met turf, dan was het een drukte van belang. Thomas Zuidema voerde de turf aan voor turfhandelaarster Coba Top-Kiestra. In de loop van de morgen kwamen de bakkerskarren tevoorschijn, al dan niet met één of meer honden ervoor. Zo ventten voor bakker-molenaar Pieter Bakker in de Nieuwstraat (later Kuiper en Haaksema) o.a. Herman Wegters Froukje, Mans Frankes’ Geertje en Anke van der Sluis. Voor bakker Wiebrand Rietsema in de Kerkstraat, Wietse Hekkema’s Anna, Antje Wisman-Buiter, Maaike Tuinstra-Veenstra en Antje Miedema-Renkema. Voor bakker Duurt Smid (eerder Ottens en later Jan Kooistra, en Nanno Wolthuis) in de Schoolstraat, ventte Sietske Wegter-Vries. Voor bakker Simon Jan Weg (later zijn zpon Jan, Mans Bakker en thans Staghouwer) aan de ‘ Hoofdstraat deden dit Grietje Vondeling-van der Velde in de reeds eerder genoemde Antje Wisman-Buiter.

Naar bakker Piet Zuidhof (eerder zijn vader en na hem al zijn zoon Tonnis) aan de Gast ventten o.a. Herman Wegter, Caselien Esinga, Anna de Wit-Boerema, Geertje Frankes-Oostindiër, haar dochter Elly Timmer-Frankes, Hennie  Ammerman en Piet Postema. Herman Wegter’s Froukje en Sietske Wegter-de Vries ventten niet met een kar. De eerste twee hadden broodmanden aan een juk, de tweede droeg manden aan de arm. De vader van Wiebrand Rietsema ventte nog met een kiep op zijn rug.

Voordat de eerste melkboeren op de weg kwamen haalde men zelf de melk, oaa. van Hilbrand van Slochteren en Louwe van der velde, maar ook de bakkers Weg en Zuidhof verkochten melk. Kee Mulder van het “Kiefnust” ventte met een speciaal daarvoor ingerichte ”hoge kar’, waar de melkbussen onder aan hingen. Grietje Ronda ventte in de omgeving van de Nieuwstraat-Molenstraat met een paar emmers melk aan een juk. Van lieverlee kwamen de melkboeren met paard en wagen of bakfiets op de weg. De eerste waren Jan Zeeman, Joh. Wegteer, S. Kruyer. Folkert Wegter, Tonnis Wegter, Rense Hamstra, Jan Drenth (deze had behalve een melkloop ook een winkel in zuivelprodukten aan de Hoofdstraat), Albert van der Laan en Jan Nijland (Jan Nijland nam de melkloop over van zijn broer Joh., die hiermede in 1931 was begonnen en dit gedurende 2 à 3 jaar deed). Hij betrok de melk van zîin broer Jan, die ook een veehouderij had, voor vijf cent per liter plus gebruik van paard. Hij verkocht de melk weer aan klanten voor zeven cent per liter.

Hij had een mooi melkwagentje gekocht voor f 100,- van boer Geertsema van ”Zuiderham . Als opvolgers zijn nog te noemen Jacob Zeeman, Leendert Kazemier, Jan Veninga. Eerdere of latere melkboeren waren nog ene Prak, Olthof, Jan Hansema en Hendrik Meerveld. Eens in de week kwam Jetse Holst, al bellende, met zijn soep’ n-kar door het dorp. Eerst met een hondekar, later met paard en wagen. De huisvrouwen kwamen op zijn gebel af met een emmer of  aker voor een vijf à tien liter soep’n brei te koken voor een aantal dagen. De slagers Jan Sennema in de Molenstraat, Jan Hoekstra en  Pé de Jong in de Nieuwstraat, Menno en Jan Tjoelker in de Kerkstraat bezorgden hun waar met een transportfiets, met voorop een grote rieten mand. Hetzelfde deden de slagers Job en Derk Ossentjuk aan de Jellemaweg, vader en grootvader Derk Ossentjuk vervoerde hun het vlees, in een platte bak, op zijn hoofd. Ook Jan Hoekstra deed het nog wel zo. Van hem heb ik echter nooit gezien dat hij dat deed, maar wèl van de oude Ossentjuk.

Slager Jans Nanninga, de voorganger van Pé de Jong, die nogal veel klanten in Niekerk had, bracht zijn vlees per hondekar. Met paard en wagen ventten de groenteboeren Heerke Vlietstra, die een eigen kwekerij had, Piet Geerlings en Roelof Staal. Laatstgenoemde had ook enige kwekerij. Geerlings en Staal hadden bovendien een groentewinkel, resp. in de Schoolstraat en Molenstraat.

Tot de voedselvoorzieners en deelnemer aan het verkeer behoorde ook Arend Meerveld, die met vis ventte per hondekar. Rieks de Vries, Auke Veenstra en Klaas Jager ventten hun vis per fiets of bakfiets. Vrij regelmatig kwam ook ”olle Odde” lopend vanuit Zoutkamp, met een kar vol garnalen. Zijn roep was: ”gernoat, gernoat, vief cent de kop . Voor vijf cent kreeg je een grote kom vol garnalen.

Dat de petroleumstellen konden branden, daarvoor zorgden de petroleumventers Abel Pluister, die in het ”schathuis” woonde, zijn zoon Bertus en Jan Ploeg, die beide aan de Jellemaweg woonden en verder Ekke van der Naald in de Nieuwstraat. Laatstgenoemde haalde eens per week ook vuilnis op om dit daarna te storten in ”Auwema’s gat” (een petgat). Dat de mensen niet in de kou kwamen te zitten daarvoor zorgden, behalve de reeds benoemde turfhandelaren, de brandstoffenhandelaren Gerrit Datema in de Nieuwstraat en Fokke Polet en Klaas Boerema aan de Jellemaweg. Voor een eitje zorgde eier-handlaar Redmer de Vries, die in ”de blinde darm” woonde (vroeger een stukje landweg, nu Th. Vd. Dijkweg) en later aan de Boslaan. Geert Luth voorzag de bakkers en winkeliers van meel, gort, mosterd enz. Eerst met paard en wagen (een korre met een dikke belg), later met een vrachtauto (T-Ford). Indien we het postverkeer ook tot het lokale verkeer rekenen, dan kon men de postbodes Harm Hartsema, Jan Saartjes, Klaas Westra, Lippe Ossentjuk, Tonnis Wegter en Tonnis Bijzitter zien gaan met hun post op de rug of met de postkar onderweg van het postkantoor naar het station of omgekeerd. (opgemerkt wordt dat Lippe Ossentjuk ook nog meereed, als postbeambte, op de volgkoetsen, waarvan vermeld).

Als de koeien in het land liepen, ”raasde” Job Stenekes, die aan de Jellemaweg woonde, ’s morgens en ’s avonds met zijn ”dogkar” door het dorp op weg naar of van zijn melkland aan de Spanjaardsdijk. Hij had twee grote gele honden (belgische Martins) voor de kar. Die honden waren zo driftig als ze voor de kar gespannen waren, dat als Stenekes de ketting van het wiel los maakte, hij als de drommel in de kar moest springen, want anders waren de honden met de kar en melkgerei weg zonder hem.

Het ging soms op één wiel door de bocht. Zo driftig als de honden bij Stenekes waren, zo rustig waren ze bij Antje Overkamp. Nu vijf uur, als de ”krantentrein” was aangekomen, zag men de bezoekers ijverig bezig om hun kranten kwijt te raken. Tussen al dit ”verkeer” door ”scharrelde” Jan Modder (Zuidema), die bij olle Mettje in de kost was , met zijn kar van zinkput tot zinkput om deze te ledigen , want een Ondergrondse riolering was er toen niet . Tot de Wandelaars , die al dit “verkeer” konden waarnemen , behoorden de rentenierende boeren Rennert Pol1 en Siert Bouwman , die ieder op een hoek van de G ast-Gastlaan woonden . Zij waren samen veel aan de wandel . evenals de oud-sigarenfabrikant Jan Rosema en de Oud-molenaar Buchli.