In de kerk

In de kerk

 

’s Zondags tegen 8 uur was het opstaan en klaarmaken voor de kerk, in vele gezinnen. Kort voor de aanvang van de dienst werd de klok geluid en dan was het onze tijd om te gaan. Nadat iedereen binnen was sloot de oude koster Huizing de deuren en nam dan zijn plaats in naast het orgel.

Een plaats, welke waarschijnlijk nog dateerde uit de tijd van het orgeltrappen Aan de andere kant van het orgel zat meester Conradi. destijds hoofd van de mulo-school.

Inmiddels had dominee Bange (een andere predikant heb ik niet meegemaakt) de preekstoel beklommen.

Mijn moeder ging altijd via de bovendeur de kerk binnen.

Zij zat rechts van de preekstoel. Mijn broer en ik gingen mee met vader, via de deur aan de noordzijde en zaten links van de preekstoel, ieder aan een zijde van hem.

Als we niet stil zaten of niet opletten werden we, middels een por met zijn elleboog, er aan herinnerd dat we in de kerk zaten.

De mannen en vrouwen zaten apart, dat was altijd zo geweest en zo behoorde het volgens de toen geldende opvattingen. Hierop werd eens een keer inbreuk gemaakt  door een meisje uit Zllidhorn, dat in Amsterdam in betrekking was en één der feestdagen thuis kwam met een jongen (een vriend zou men tegenwoordig zeggen). De kerk bood een mooie gelegenheid om den volks haar vrijer te tonen, maar de maakten de “fout” om naast elkaar te gaan zitten in plaats van ieder apart. Nu dat heeft stof tot praten gegeven. Konden die jongelui hun fatsoen niet houden. De jeugd zat op de kraak. Daar ging het nogal eens rumoerig aan toe en daarom stemden de ouders er nu niet zo vlot mee in om op de kraak te mogen zitten. Als het eenmaal mocht, en dan werd je bij je kornuiten een beetje voor vol aangezien, ging je op de voorste bank zitten. Je kon alles zo lekker overzien, maar zien betekende in dit geval ook gezien worden en daarom ging je een volgende keer al gauw een paar banken achteruit.

Aan het oog van de oude koster ontkwam je echter niet, Omdat hij op dezelfde hoogte zat in zijn kraakstoel, met de wandelstok naast zich, welke hij nodig had omdat hij moeilijk liep. Als het op de kraak wat te rumoerig was hief hij dreigend zijn vinger op. Toen het eens te gek werd (doninee had ook al eens in de richting van de kraak gekeken) stond hij op, tikte met zijn stok op de balustrade, keek in de richting van de preekstoel en zei: , ,een ogenblik dominee’ ‘, daarna tot de kraak: ,,als jullie nu niet stil bent kom ik bij jullie en dan wordt het niet best”, daarna weer in de richting van de preekstoel: ,,nu maar weer verder dominee’ ‘. waarna hij weer ging zitten.

De waardigheid van de preek was er toen vanzelf wel af.

Een andere keer kwam er eens iemand zeer gehaast binnen, via de bovendeur en riep: “dominee, de klok moet geluid worden; Meerte’s huis staat in de brand”. Nu de preek werd afgebroken en bijna iedereen spoedde zich naar de plaats van de brand. Die zondag brandde het huis plus klompenmakerij van de familie Meerte tot de grond toe af. (Het stond aan de Jellemaweg, waar nu het bloementuin Margriet is) .

Vorengenoemde onderbrekingen waren natuurlijk uitzonderingen. Het gewone beeld was, dat hoewel de dienst al om half tien begon de eerste kerkganger al om ongeveer 9 uur verscheen. Dat was dan meestal Date Auwema . die met zijn broer Hugo op een boerderij woonde aan de Westergast (nu nr 21)

De boerderij stond in die tijd nogal aan de buitenkant van het dorp, tot waar alle dorpsnieuwtjes niet doordrongen. Hij kwam nu zo vroeg naar de kerk om deze te horen van andere vroegkomers.

s’Winters stonden zij dan om de enorme grote kolenkachel, welke midden in de kerk stond op het kruispunt van de paden . Als de klok begon te luiden zocht ieder zijn plaats op. Auwema,  die toen zo’n vijfenvijftig geweest zal zijn, had zijn vaste plaats op de voorste bank van de kraak – ja, tussen de jeugd. Ook had een vaste plaats op de voorste bank de sigarenfabrikant Halbe Rosema.

Tegenover de preekstoel in de ‘voorname ‘ banken zaten burgemeester de Vries en de kantonrechter Mr. de Boer.

Eerstgenoemde woonde aan de Gast in de villa ‘Geertruida ‘ . Mr. de Boer woonde in een villa tegenover het toenmalige kantongerecht. In de herenbank van de familie Posthumus zat Hemke Scheeringa, de toenmalige bewoner van het ‘huis met de leeuwen’ in de Nieuwstraat. Verder zaten in die hoek: mevr. Bange en mevr. Tichelaar, de echtgenote van de dokter.

Een trouwe kerkganger was ook timmerman Feike Zuidersma van de Holtweg (nu no. 16). Voor hem was het zingen het hoogtepunt van de kerkdienst. Zijn stemgeluid klonk dikwijls boven – en soms voor – het geluid van het orgel uit.

Toen de dominee hem eens verzocht iets minder luid te willen zingen is hij uit protest een paar keer niet in de kerk geweest maar zijn liefde voor de kerkzang was zo groot, dat hij toch weer verscheen. Een dienst zonder Zuidersma was bijna niet denkbaar.

De volgorde van de wapenborden van de Groninger landjonkers, welke op de kraak hingen, konden we uit het hoofd opzeggen als de tafel van vier. ’s Namiddags werd er zondagschool gehouden in de consistoriekamer en ’s avonds vergaderde hier de jongelings- of knapenvereniging.

De leiding van de zondagschool was destijds in handen van Antje Datema of Fokje Noordveld. Deze meisjes zullen toen zo’n 20 jaar geweest zijn en konden soms wel eens niet de baas worden over de schare.

Er werd dan iemand naar schoenmaker Friesenhaan gestuurd. die naast de kerk woonde (zie fotoboek Zuidhorn blz. 12). Deze keek dan misprijzend en dreigend rond. nestelde zich in dominee’s stoel en dan geloofden we het wel. We kregen 2 centen mee naar de zondagschool.

Eén voor de kerk en één voor het nikkertje (zending).

Dat nikkertje was de beeltenis van een negerfiguurtje’, dat op zijn knieen lag met gevouwen handen. Het hoofdje zat er los op. Als er nu een cent door een gleuf gegooid werd knikte het hoofdje als dank voor de gift. Dat vonden we zo mooi. dat ik mijn tweede cent ook wel eens offerde aan het nikkertje tot schade van de kerk.

Zoals vermeld was er ’s avonds nog de knapenvereniging onder leiding van dominee Bange zelf.