Job Datema

Job Datema, (verhaal door J. de Wit, geschreven rond 1980)

De meeste dorpen hadden een beurtvaart, dwz een vaste vaart op gezette dagen door beurtschippers. In Zuidhorn waren dit de broers Gerrit en Job Datema, die tevens een bodedienst op Groningen hadden en daarnaast nog een brandstoffenhandel. De snik (trekschuit) lag in de zwaaikom aan het eind van de Schipsloot aan een kleine kade.

Vroeger voer de snik meer dan lx p. week naar Groningen,later nog alleen dinsdags en op den duur werd de vaart geheel opgeheven. Op blz. 24 van het fotoboek, uitgegeven door de Rabobank, is de oude snik nog te zien. Deze foto is van 1920. Toen was de snik dus nog in de vaart. De beurtvaarten waren ook aan voorschriften gebonden, welke werden vastgesteld door de ”Gecommiteerden in het Westerkwartier” . Voor Zuidhorn gold onder andere dat ”de schuyte praecys op de clockenslagh van zes uren moest vertrekken . Als de snik op de terugvaart van  Groningen Zuidhorn naderde. kondigde Job Datema dit al aan door op zijn snikhoorn te spelen: ”Moeder is de koffie al klaar, de snik ligt voor de wal. Job woonde met zijn moeder in het schippershuis dat aan de zwaaikom stond (nu  Brilweg 21). Gerrit Datema en zijn vrouw Sien woonden in de Nieuwstraat-noordzijde. daar waar nu nieuwbouw is.

Hier was ook de brandstoffenhandel gevestigd. De bodedienst werd uitgevoerd door Job. Eerst met een kar met vier honden ervoor, later met paard en bodewagen. Als hij tegen de avond van Groningen terug kwam kondigde hij zijn thuiskomst aan, juist als hij dit ook deed met de snik met: ”Moeder is de koffie klaar” enz. Maar Job had meer deuntjes in zijn snikhoorn zitten zoals: ”O, mijn lieve Mathilde, als je eens wist wat ik wilde” en ”. . .. dat hebben de meisjes zo gaarne”. Als hij onder de poort (viaduct) was, begon hij te spelen. Zodra de jongens hem hoorden, gingen ze hem op een draf tegemoet en kropen bij Job op de wagen, maar er ook wel bovenop. Zo ging het stapvoets tot aan de smederij van Poort. Hier deelde Job de kleine pakjes uit aan de jongens om deze te bezorgen bij de geadresseerden. Zelf nam hij de zware stukken als balen Suiker, zout enz. voor zijn rekening. Anderdaags voerde hij zijn bestellingen uit bestemd voor Briltil en Noordhornertolhek. Job had niet alleen het vertrouwen van de middenstanders, maar ook van de dames in het algemeen.

Het ophalen, ruilen en vermaken van kleding konden ze aan hem overlaten. Toen de zgn . ”ja-ja hoedjes” in de mode waren voor de jonge dames kreeg hij een grote  zichtzending mee van een hoedenwinkel uit Groningen.

De dames konden dan thuis uitzoeken en passen. Deze hoeden hadden van voren een heel brede rand, welke bij  het lopen op en neer ging.

Men kon Job doorgaans van verre horen aankomen. Als hij een textielwinkel binnen kwam, schoot hij met veel lawaai en uitgespreide armen op de winkeljuffers af, alsof hij ze eens lekker wilde pakken,  maar deze schoten weg als een troep mussen waar een poes tussen geploft was. Zo ook bij Meyering op de Vismarkt tot Herman Eilers, die daar bediende was nu zei: ‘ blijf toch staan, hij doet maar alsof, hij is eigenlijk bang voor vrouwen”, het gaf niets, ze bleven aan de haal gaan voor die ruige Job. die zich dan op de knieen sloeg van pret, totdat een nieuw winkelmeisje hem eens tegemoet trad zoals het behoorde, waarop hij geheel overdonderd de armen liet zakken. Job voerde ook wel extra diensten uit met de stadskermis of 28 augustus. Hij ging ’s avonds met passagiers naar Groningen met de bodewagen of een overdekte korre. Hij zette de passagiers af op de hoek van de A-weg/Blekerstraat en van hier vertrok hij ook weer.

Kosten 50 cent, stond op een bordje dat aan de wagen hing. Op de terugweg hingen brandende lampions in de wagen en hij wist de passagiers ook wel aan het zingen te krijgen. Ook dan kwam het gezelschap toeterend Zuidhorn binnen . Ging een kind bij een oom of tante logeren, dan kon men het aan Job meegeven, die het voor tien cent prompt op het juiste adres bezorgde.

Het paard kende de weg wel, en juist als de voerman van het bekende karretje dat op de zandweg reed, deed Job ook wel eens een dutje, maar dit kostte hem eens twee vingers toen het eind van het leidsel om de as van de wagen was gedraaid en hem twee vingers afkneep. Hij kreeg er een lapje om van de vrouw van cafehouder Van der  Zwaag van Slaperstil en daar ging het weer, maar hij kwam toch bij dokter Tichelaar terecht en op diens vraag waar de stukken vingers waren gebleven zou Job geantwoord hebben: “die zullen nog wel ergens onderweg liggen”. Hij was een ruige knoeterharde kerel. Men kon van hem zeggen: een ruwe bolster met een blanke pit. Hij overleed aan een hartverlamming in de slagerij van oud-Zuidhorner Gerrit Hofsteenge te Groningen.