Meester Hut

Meester Hut (verhaal door J. de Wit, geschreven in 1980)

Het is zo’n 35 jaar geleden dat meester Hut overleed en het wil mij goed voorkomen om iemand, die zoveel voor de jeugd en de samenleving van Zuidhorn heeft gedaan, nog eens weer aan de vergetelheid te onttrekken. Geboren op 16 februari 1890 te Roodeschool, bracht hij een groot deel van zijn jeugd door in Warffum waar hij ook de Normaalschool bezocht en als 19-jarige stond hij reeds als onderwijzer voor de klas in Tynaarloo. Verdere standplaatsen waren Uithuizen, Houwerzijl, Mensingeweer en Zevenhuizen. Nu stond in die tijd Zevenhuizen bekend als een plaats met nogal een ”ruige” bevolking, waar caféruzies en messentrekkerij geen zeldzaamheid waren.

Nee, dan lag Zuidhorn wel op een wat hoger peil, althans zo meende men. Door het vertrek van meester Verver ontstond er een vacature in Zuidhorn en deze plaats leek meester Hut wel wat. Op 1 oktober 1927 kwam Sietsko Hendrik Hut met zijn vrouw Foekje Ritsema en beide dochters Cobi en Mina naar Zuidhorn. Zijn vrouw had hij al op zijn eerste standplaats Tynaarloo “gestrikt”.

Als leerling heb ik hem niet meegemaakt, daar ik een jaar daarvoor de lagere school met de Ulo-school had verwisseld. maar als bestuurslid en medewerker van diverse verenigingen des te meer. Ook heb ik veel gesprekken met hem gevoerd bij gemeenschappelijke kennissen.

‘ -Oh. oh” vertelde hij mij eens, ”wat viel mij de schooljeugd van Zuidhorn ontzettend tegen. Het was een ongedisciplineerde bende. Als de schoolbel ging, stormden  alle klassen gelijktijdig hun klas uit om al duwende en stompende het eerst buiten te zijn. Dit was in van de eertste dingen die ik aangepakt hebt, aldus meester Hut.

De verandering bestond hierin dat de kinderen, nadat de schoolbel had geklonken, zich netjes twee-aan-twee en klas-bij-klas opstelden naast de schoolmuur en daarna  met juf of meester aan het hoofd naar binnen gingen.

Eerst de jongste klas en zo vervolgens. Na afloop van de lessen gingen de kinderen, na het luiden van de bel, naast de bank staan en gingen dan rij-voor-rij, met de meester of juf voorop naar buiten, die meeliepen tot het eind van het schoolplein. De jongens namen dan hun pet af voorzover ze er een hadden, en evenals de meisjes groetten ze dan met een “dag juf” of ”dag meester” Het stompen en duwen heb ik zelf meegemaakt en ik moet zeggen dat de voorganger meester Verver nu niet bepaald ”de wind eronder” had. In de klas was het rumoerig, maar meester Hut had al gauw in de gaten wie de belhamel was. Dat was Frits, die doordat hij groot en sterk was, zich had opgeworpen als leider van de klas. Op een gegeven moment vertelde meester Hut dat hij even een boodschap moest doen. Hij gaf een paar sommen op en stelde Frits aan om voor de orde en rust in de klas te zorgen.

Meester was de deur nog maar amper uit toen de hele klas rechtop ging zitten en vragend naar Frits keek wat er voor ondeugd uitgevoerd moest worden, maar tot ieders verbazing stond Frits op, keek de klas rond en zei: ”de eerste de beste die nait stil is, krigt ’n pak op sien sodemieter” We dachten aan een grap, aldus mijn zegsman, maar het bleek bittere ernst bij Frits. Toen meester na een minuut of vijf terugkwam (hij zal waarschijnlijk niet verder geweest zijn dan de buitenkant van de hoofddeur) vond de pedagoog een volkomen rustige klas. Zijn enige commentaar zou geweest zijn: ”ik wist dat ik op je kon rekenen Frits. Hij had geen kind meer aan Frits en aan de klas. Meester Hut was streng, maar zeer rechtvaardig.

Van de diverse standplaatsen, welke ik heb gehad, zo vertelde hij mij eens, was het Zuidhorn die het minst voor de jeugd deed. De jeugd zit vol energie, welke ze kwijt moet. Ze moet haar stoom kunnen afblazen in de  sport of ander verenigingsleven en niet in het uithalen van kattekwaad enz. Hij begon met het oprichten van een  gymnastiekvereniging. Hij had een groot aandeel in de totstandkoming van het zwembad, was voorzitter van de Nutsspaarbank, bestuurslid van de Harddraverijvereniging, Ziekenfonds, Volksonderwijs, lid van de commissie tot wering van schoolverzuim en regisseur van diverse toneelverenigingen. Men moest in Zuidhorn niet aan meester Hut komen! Maar, zoals zo dikwijls, bleef ook hij  niet van tegenslagen verschoond. Op 3 juli 1948 overleed zijn vrouw op 57-jarige leeftijd. De beide dochters waren inmiddels getrouwd, zodat hij alleen in het meestershuis bleef zitten. Hij gebruikte de middagmaaltijd bij Harm Rozema en Jellie, die aan de Brilweg woonden. Jellie was nog een oud-leerling van hem. Een tweede klap kwam toen zijn jongste dochter Mina op 30 september 1952 overleed. Zij was getrouwd met Jan Kamp. Toen Harm Rozema in 1953 overleed, kwam Jellie na enige tijd, bij hem in het meestershuis wonen. Na zijn pensionering, per 1 maart 1955 verhuisden zij naar de Oostergast, nu nummer 19. Helaas heeft meester Hut nog geen vijf maanden van zijn pensioen mogen genieten. Hij overleed l op 28 juli 1955. Zuidhorn is hem veel verschuldigd. Mochten B. en W. van Zuidhorn nog eens naar de naam voor een straat, park of plein zoeken, dan zou meester Hut daar in best in geeerd kunnen worden.