Noordhornertolhek en de scheepsjagers

Noordhornertolhek

centrum van scheepsjagers

Het verkeer en vervoer over de weg is in onze streek laat op gang gekomen. De bestaande wegen waren praktisch alleen te paard en te voet begaanbaar. Het vervoer geschiedde dan ook hoofdzakelijk te water. Ten Noorden van ,Noordhorn liep vroeger het water ”De Oude Rijt” welke een open verbinding had met de zee. Het Hoendiep was zo ongeveer 1650 gereed gekomen. Beide wateren hadden onderling geen direkte verbinding met elkaar. Men had nu een kanaal gegraven van het Hoendiep (iets ten noorden van waar de smederij en woonhuis van Joh. V.d. Woude waren) naar ”De Oude Rijt” Langs deze weg was er een handelsroute ontstaan met Amsterdam en de Oostzeelanden. Men noemde deze route ”buitenom” Het gegraven kanaal werd het ”Stille Diep” genoemd Er valt over de geschiedenis van ”De Oude Rijt” en de totstandkoming van het Hoendiep veel te vertellen, maar dit laat ik gaarne over aan de historici.

Na verloop van tijd werd er een ”trekvaart” gegraven van Stroobos naar Dokkum en liep het reizigers- en goederenvervoer tussen de hoofdsteden Leeuwarden en Groningen over Dokkum. De route liep nu Groningen-Stroobos-Dokkum-Leeuwarden-Harlingen-Amsterdam. Op zo’n route heeft men bepaalde haltes of stations en één van deze haltes was Noordhornertolhek.

Met het totstandkomen van deze ”trekvaart” kwam de scheepsjagerij tot grote bloei. Het centrum yan laatstgenoemde halte was café ”De Vrede” van de familie Oosterhuis, die hier in 1897 hun intrek nam. Wanneer op het Noordhornertolhek het eerste logement of herberg is gebouwd is niet bekend en evenmin of het café ”De Vrede” dat er het laatst stond, een voorganger heeft gehad. Roelof Oosterhuis was scheepjager en zijn echtgenote Trijntje Oosterhuis-Sluiman dreef het café. Oosterhuis had een mooie belgische schimmel als jaagpaard. De meeste scheepsjagers hadden een afgedankt legerpaard, een zgn. huzarenpaard. Het traject van de scheepsja gers, die hun centrum hadden op ”tolhek” strekte zich uit aan de ene kant tot Groningen en aan de andere kant tot Blauwverlaat en Dokkum. Roelof Oosterhuis raakte in 1910, tijdens een dichte mist met paard en al in het Hoendiep en verdronk. De toen 15-jarige zoon Johannes nam, tot zijn 18e jaar, de scheepsjagerij van zijn vader over en stapte toen over op het timmermansvak. In het café werd ook paardebrood verkocht, dat door de mulders werd gemaakt. Toen zijn vader nog leefde, haalde Johannes het van de mulders met een bokkewagen. Johannes had veel aardappelschillers als klant.

Wat betekende nu zo’n halte of station?

Reizigers konden er onderdak vinden. Er kon vee worden ”opgeschut” en goederen worden opgeslagen. Het café leende zich hier uitstekend voor, want achter het gebouw was een grote schuur met stalling voor vee. De scheepsjagers ruilden hier ook wel eens van schip.

Had een scheepsraden een ”jagt” aangenomen van b.v. Groningen naar Dokkum, dan ruilde hij met een collega, die een ”jagt” had aangenomen in omgekeerde richting, onder verrekening van de aannemingssom (afstand en moeilijke punten). Het gebeurde ook wel eens dat de ene jager de ander een vrachtje afsnoepte en dat gaf nogal eens aanleiding tot slaande ruzies. waarbij de naam van het café geen eer werd aangedaan. Meestal ontstond zo’n ruzie als er een behoorlijk aantal borrels achterover was geslagen. De scheepsjagers waren in het algemeen liefhebber van een borrel. Ze moesten door weer en wind en kou en vonden dat ze dan wel een opwarmertje nodig hadden. Aanleiding tot ruzie tussen de scheepsjagers kwam ook nogal eens voor als ze elkaar moesten passeren waar ondiepten voorkwamen in het Hoendiep, als gevolg van een verzakking in de Trekweg. Dit was nogal eens het geval op een paar plaatsen tussen Enumatil en Briltil.

Ook de schippers ruzieden dan braaf mee, want die bleven niet graag vastzitten met hun schip op zo’n ondiepte. Het is wel eens gebeurd dat tjalken met twee paarden over zo’n bult getrokken moesten worden. Niet iedereen mocht zich uitgeven voor scheepsjager. Hiervoor had men een vergunning nodig van het Provinciaal Bestuur. Van een scheepsjager werd verondersteld dat hij de jaaglijn op twee gelijke spanning wist te houden en onder bogen moest de lijn buitenom genomen worden zonder vertraging van de snelheid van het schip. Aan meerdere inwoners van Zuidhorn, Noordhorn en Briltil was een vergunning als scheepsjager afgegeven. Om er een paar te noemen: Roelof oosterhuis, Albert Bosscher, Jilt Dijk, Sander Smit, Jannes Cruiming, Pieter Tonis, Ekke van der Noord, Job Datema, Jan Drenth sr. en jr., Hendrik Drenth, Berend Bullema en anderen.

Jilt Dijk was een vaste jager voor de snik van Niehove, welke het Niezijlsterdiep af kwam varen en bij Scheeftil in het Hoendiep kwam. Bij de spoorbrug over het Niezijlsterdiep was een speciaal poortje waar de paarden door konden. Ekke van der Noord was van zijn lle tot zijn 16e jaar snikjongen op de snik van Zuidhorn. Na diverse andere werkzaamheden begon hij in 1923 ook als scheepsjager. Hij nam het liefst lange trajecten en bracht de schepen geheel naar Dokkum. Hij sliep dan bij een kennis, in afwachting van een ”jagt” terug. De scheepsjagers waren niet erg kieskeurig wat hun slaapplaats betrof. Zij sliepen dikwijls bij een boer in het hooi en ’s zomers sliepen ze ook wel in de berm langs het kanaal.

Veel scheepsjagers overnachtten in de schuur of op de koestal, liggende op een bos stro, van het café ”De Vrede” .

Lang niet alle schepen werden getrokken door paarden.

Er waren ook schippers, die het hele gezin het schip lieten trekken. Op het eind van de jaaglijn waren dan één of meer ”celen” bevestigd, welke de trekkers (en dat waren dan de schipper of zijn vrouw met een paar oudere kinderen) voor hun borst langs hadden. Het ging dan stapje voor stapje en hingen voorover soms bijna met de neus op de grond. Ik heb dit zelf dikwijls gezien. Het was op op 4 december 1882 dat de eerste stoomboot door het Hoendiep voer en met de komst van de sleepboten was het met de scheepsjagerij gedaan. Menig conflict werd uitgevochten tussen de sleepbooteigenaren en de scheepsjagers. die vanaf de wal de sleepboten met stenen bekogelden . Voor de exploitanten van de z.g.n. haltes werd het er vanzelfsprekend ook niet beter op. Toen de weduwe Oosterhuis de zaak niet meer aankon. heeft Johannes samen met zijn gezin, het café nog tot 1951 gedreven.

Het pand is inmiddels afgebroken en wat is er van het de vroegere Noordhornertolhek overgebleven? ”De Vrede” werd beschreven als een centrum van scheepsjagers, maar het was ’s winters als er ijs was, ook een centrum van schaatsliefhebbers. Zoals reeds vermeld, op blz 126 en 127 van het ”Fotoboek Zuidhorn” zetelde de  ijsvereniging ”Oosterdeel-Langewold” ook in het café De Vrede.

Schaatswedstrijden werden gehouden op het ondergelopen land oostelijk van de spoorbaan en op het ”stille diep”. Bij de spoorbrug plaatste men in de winter schotten om het hoge water vast te houden, voor goed ijs.

’s Avonds vond de prijsuitreiking plaats in het café ”De Vrede ” en werd er feest gevierd. Voor de ijscommissie werd dan ”hietbier” gemaakt en dat was een specialiteit van Martje Kramer. In het achterhuis werd het hietbier gemaakt in een grote pot. De ingrediënten waren bier, eieren, suiker en kruiden. Indien er genoeg was werd de rest in het café verkocht. Het feest werd opgeluisterd door het fanfarekorps uit Noordhorn.

 

Zo’n honderd jaar geleden stonden er aan de oostzijde, aan het Hoendiep, drie percelen, n.1. het voornoemde cafe, de herberg van Albert Bosscher (later Folkert Wegter) en de boerderij van Sjabbe Datema. westelijk van en aan het Hoendiep stonden het oude brugwachtershuis, twee korenpakhuizen en de boerderij van Lieuwe van der Kooi (later familie Buist). Deze zes percelen vormden eigenlijk de kern van Noordhorner tolhek. Het voormalige tolhek stond ter hoogte van het café en herberg. De ruim 90-jarige Antje van Dijk-van der Woude herinnert zich het tolhek, maar ook dat het in haar kinderjaren is opgeheven. De brug, welke toegang gaf tot de Noordhornerga, was een zgn. boerenbrug. Ze was eigendom van de landeigenaren van de Ga. De brug werd verpacht aan een brugwachter. In de maand mei werd er een ”brugvergadering” gehouden en werd het overschot, als dat er was, verdeeld. De baten waren meestal zeer bescheiden. De uitkering bleef doorgaans beperkt tot enkele guldens. Men maakte er een gezellige avond van. Begonnen werd met drie keer koffie op één klont en daarna kwam de fles op tafel.In 1910 werd de brug overge nomen door de provincie. De snikken van Sebaldeburen en Niezijl waren vrijgesteld van bruggeld, waarschijnlijk op grond van oude rechten. De zuidelijke helft van de twee korenpakhuizen was tot 1920 in gebruik bij de smid Joh. van der Woude sr. In het noordelijk gedeelte van het al pakhuis was dikwijls steengoed opgeslagen, dat werd per schip aangevoerd uit Bolsward. Het is niet bekend of dit steengoed nu van de eigenares, Grietje Wieringa, was of dat het hier werd opgeslagen door de zgn. potschippers.

De potschippers bezochten regelmatig de dorpen, maar legden ook aan bij boerderijen, welke aan het vaarwater lagen. Zo rond 1910 passeerden er dinsdags zo’n dertig snikken. Het was dan een drukte van belang daar op het Noordhornertolhek.

In een bepaald seizoen werd ook Lemmerbokking aangevoerd met de Lemmerboot,  bestemd voor de visventers in Noordhorn. Dat venten gebeurde vaak per hondekar (de Veenstra’s en Klaas de Jager). Nu was het zaak om het eerst in het dorp te zijn,  want die het eerst komt, het eerst maalt. Hiertoe werden de honden tot het uiterste opgejaagd. Eén van de vishandeIaren ging eens zo snel, dat hij de honden niet meer in de hand had en met de hele zaak in de sloot terecht kwam.

Noordhornertolhek was een soort voorpost van Noordhorn.

De schepen, welke Noordhorn niet konden bereiken, losten en laadden op het tolhek. De snik van Hessel Auwema, genaamd ”De Harmonie” kon de zwaaikom aan het eind van de Schippersstraat bereiken en zo ook de potschippers. Middels een omroeper werden de inwoners in kennis gesteld dat de potschipper weer aanwezig was.

De Pitjetil was een vaste brug. schepen met een hoge bovenlading of een te grote diepgang losten dan, zoals reeds vermeld, op Noordhornertolhek. De schepen, die ;  wel onder de til doorkonden, kwamen meestal niet verder dan de opslagplaats bij de spoorbrug. Dicht bij de opslagplaats stond ook de noodslachtplaats, waarvan Jelle Duisterwinkel slachter en beheerder was. Het te slachten vee werd. behalve uit de gemeente Zuidhorn, ook aangevoerd uit de omliggende dorpen. Het goedgekeurde vlees werd verkocht aan particulieren. Ook de verkoop hiervan werd door een Omroeper medegedeeld. De mensen die erop af kwamen waren doorgaans mensen met een smalle beurs. Het afgekeurde vlees ging naar het destructiebedrijf te Bergum. Het goede afval werd verkocht als hondevoer. Er waren in die tijd veel trekhonden. In de hoek bij de spoorbrug of opslagplaats was ook nog een scheepssloperij vermoedelijk van Arend Brilstra. Voor de oorlogsjaren 1940-1945 was er bij die opslagplaats een schuur of

loods, waarin werklozen zaten te flintenkloppen. Veldkeien werden per schip aangevoerd vanuit Drenthe en deze moesten tot puin verwerkt worden. Dit geschiedde met een moker.

De werklozen zaten op een rij, met een schotje ertussen, daar anders het puin van de één de ander om de oren zou vliegen. Een verschrikkelijk moeilijke baan waar veel kou bij werd geleden. Dit alles is voorbij. Het Stille Diep, de Noordhornerschipsloot, het café ”De Vrede van de familie Oosterhuis, de herberg van Albert Bosscher, alsmede de korenpakhuizen zijn verdwenen. De oude brugwachterswoning is  vervangen door een nieuwe en sinds Joh. Vd  Woude jr. zijn voorhamer er bij neergelegd heeft. is er praktisch geen leven meer op Noordhornertolhek. Van de vroegere bedrijvigheid en gezelligheid is niets meer over.