Olle Mettje

OIle Mettje

Op de kadasterkaart van 1820 is onder leggerartikel 340 aangegeven het gedeelte gelegen tussen de Holtweg en de Kikkerstraat, nu genummerd Holtweg 2 t/m 10. In 1820 kwam hierop slechts één gebouw voor en dit was het huisje van ôlle Mettje of beter gezegd van haar en haar echtgenoot Pieter Heemstra. Dit echtpaar werd in de wandel Pait en Mettje genoemd. De oorspronkelijke eigendom, zoals deze op de kadasterkaart van 1820 voorkwam, werd later opgedeeld tussen Mettje en haar zuster Grietje, die getrouwd was met Jan Melissen. Pait en Mettje woonden in het  oude huisje hetwelk stond waar nu de boerderij van de familie van der Molen staat, Holtweg 2. Op het zuidelijke gedeelte was een dubbele woning verschenen, nu Holtweg 8 en 10. Op nr. 10 woonden Jan Melis en Graitje en op nr. 8 Gradus Bossinga en Maaike. De percelen 4 en 6 werden er later tussen gebouwd. Het huisje van Olle Mettje was lichtblauw geverfd. Het had een rieten dak dat tot laag op de grond reikte en het was gelegen achter een hoge ligusterheg. Het bevatte slechts twee vertrekken in had lemen vloeren. Ieder raam had negen kleine ruitjes  en er was slechts één deur in het gehele huis en wel aan de zuidzijde. Door de slechte ventilatie rook het binnen altijd naar rook. Achter het huis was een echte ouderwetse rolput en veel vruchtbomen. welke reikten tot achter de huizen van de Kikkerstraat. Mettje was in haar tijd een apart type. Ze droeg bingeltjes in haar oren. Haar man zal, naar ik veronderstel, wel gewerkt hebben, maar zij ookk haar bronnen van inkomen. Ze verkocht zand, hield kostgangers en had een paar geitebokken ter dekking.

Het was gewoonte dat een straatje rond of langs het huis iedere week geschrobd werd . Na het schrobben werd de straat afgespoeld en dan kwam er in de laatste emmer spoelwater een paar handen vol zand. Dit zand werd met de bezemstok door het water ”geroerd” en dan over het straatje gespoeld, waarna er een laagje zand op het straatje bleef liggen. Eerst dan was het straatje af. Het zand verkocht Mettje voor twee cent per spint (5 liter). De bokken waren s winters in het achterhuis gestald en stonken de deur uit. De exploitatie van de bokken werd verzorgd door één der kostgangers. Evenals Mettje waren ook de kostgangers bijzondere typen. Ze werden zoals dat toen heette , door het gemeentelijk armbestuur uitbesteed .

Armmeester was in die tijd o.a. schilder Jan Poppema en later zijn broer Hendrik Poppema. Eén van de kostgangers was Jan Zuidema. Hij was van oorsprong modderschipper en verkocht grond aan de boeren voor grondverbetering.

Hij lag vaak met zijn schip in het Niekerkerdiep, achter Café Meinema (nu het Witte Huis) . Toen het schip op op den duur meer onder dan boven water lag kwam hij bij Olle Mettje in huis . Als tegenprestatie tegenover de gemeeste moest hij zinkputten leeghalen en de goten en slinken schoon houden. Er was in die tijd nog geen ondergrondse riolering. ’s Winters zat hij ook in de kolenkelder van de school in de Frankrijkerlaan. Toen de standermolen in 1910 was afgebroken , werd de berg waarop de molen stond van lieverlee afgegraven en de grond verkocht. Als ”keurmeester” van de grond trad Jan Zuidema vaak op . Hij wreef de modder tussen zijn vingers en rook het dan. Geen wonder dat hij ”Jan Modder” werd genoemd . Van zijn zakgeld kocht hij wekelijks in het winkeltje van vrouw Kapma voor vijf cent ballen. De familie Kapma woonde destijds in de Nieuwstraat tussen de Molenstraat en de Jellemaweg ( nu Nieuwstraat 21 ) De andere kostgangers waren grote Grait (mal Grait) en lutje Graitje , (Graitje met de snor).

Mal Grait was tabakstripster voor de sigarenfabriek van Rosema/Tonckens. Ze haalde de tabaksbladeren van de fabriek in een oude kinderwagen en bracht ze na het strippen op dezelfde wijze terug. Ze zat altijd te werken voor een raam aan de noordzijde van het huisje met een pruim tabak achter haar kiezen. Als jongens stonden we dikwijls aan de buitenkant van het raam te kijken en gingen niet weg voordat ze een paar ”lelijkerds ”’ tegen ons had getrokken

Met haar sanitaire noden had ze geen problemen. Als ze met de kinderwagen op weg was van of naar de fabriek en hoge nood kreeg bleef ze midden op de weg staan, zette de benen een eind uit elkaar en een ogenblik later werd de reis voortgezet alsof er niets gebeurd was, maar een plas op de weg toonde wel het tegendeel !

Lutje Graitje was belast met de “bokken-aangelegenheden” Zij was een klein vrouwtje en aan haar behaarde bovenlip had ze de naam ”Graitje met de snor” te danken. De tuin van Mettje grensde o.a. ook aan de speelplaats van de toenmalige bewaarschool aan de Kikkerstraat. Als de appels en peren rijp waren, Lutje Graitje dikwijls met een mandje met appels  of peren bij de heg en deelde ze dan uit aan de kinderen.

Pieter Heemstra overleed in 1922 en zijn vrouw Mettje in 1926 beide op 84-jarige leeftijd. In 1925 werd hun oude huisje afgebroken. Een plaatje van het oude huisje werd indertijd opgenomen in het geîllustreerde weekblad ”Het Noorden in Woord en Beeld” . Dit plaatje is nog in het bezit van mevrouw Gr. Jager-Friesenhaan. Aan de hand hiervan heb ik een tekening laten maken. Ook heb ik nog een foto kunnen maken van een schilderij van het huisje, gemaakt door de schilder Jan Poppema. De foto is echter groot succes geworden. Het schilderijtj is in het bezit van Anneke Bolhuis te Roden.