Om de kerk (Hervormde kerk)

Om de kerk

 

Wat is er nu nog over van de huizen, welke in die tijd om de kerk stonden? Op de hoek van de Jellemaweg en de Kikkerstraat stond de boerderij, annex winkel in kruideniers- en grutterswaren van Klaas Togtema. De boerderij is afgebroken – op deze plaats staat nu het huis van de familie Hes – de woning, waarin de voormalige winkel, is er nog. De ingang van de winkel was aan de Kikkerstraat.

In die winkel rook het altijd zo lekker ouderwets. Op de toonbank een grote weegschaal, zo eentje waarmee Vrouwe Justitia vaak wordt afgebeeld. Tegen de wand achter de toonbank bakken, waarin los gestorte gort, rijst, grutten, grauwe- en groene erwten, bonen, meel en dergelijke. In een hoek een vat stroop. Als ik stroop moest halen kwam eerst de strooppot op de weegschaal, welke dan in evenwicht werd gebracht met kiezelstenen. Een bakje met stenen stond op de toonbank. De wijze waarop vrouw Togtema. met een grote houten lepel, als een jongleur, al de stroop overbracht van het vat in de strooppot, dwong steeds weer bewondering af. Ik stond er gewoon op te wachten dat het eens mislukte, maar dit heb ik niet meegemaakt. Op een plank aan een muur een paar stopflessen.

In de ene fles pijpkaneel, in de andere drop, waar je zo lekker dropwater van kon maken. De stopflessen met de traditionele citroenschijfjes, framboosjes en ananas- blokjes, welke wél in andere winkels waren, ontbraken zelfs. In die tijd was vrouw Togtema haar winkel al ouderwets.

Op de andere hoek van de Jellemaweg en de Kikkerstraat woonde postbode Ossentjuk. Hij had een vervaarlijke snor.

Nu woont op dezelfde plaats zijn kleinzoon, uiteraard in een nieuw huis. Het oude huis is vroeger eigendom geweest van mijn grootvader, die timmerman was. Het huis was gebouwd in 1870. Hiernaast woonde voerman Van der Velde, één van de twee plaatselijke voerlieden. De andere was Jan Drent. Wij gingen Pinkstermaandag met de zwienewoagen van Van der Velde naar de Pinkstermarkt in Leek Als hij was ‘volgeboekt’ werden we verwezen naar Drent of omgekeerd. De passagiers waren oude mannen, die niet konden fietsen en de wandeling naar Leek te ver geworden was en jongens die nog niet konden fietsen of geen fiets hadden. De ‘zwienewoagen’ was een korre met opstaande hekken. Tusen de hekken waren planken aangebracht. Bovenaan om op te zitten en halverwege om de voeten op te zetten.

Daaronder zaten dan de schapen en de varkens. Om de feestvreugde te verhogen kregen de paarden een blauwe en een witte sering aan het hoofdstad, tenminste als de seringen bloeiden en dit scheen bijna altijd het geval te zijn. Zij werden geplukt op het kerkhof. Dicht bij de deur van de consistoriekamer stond een boom met blauwe seringen. één met witte aan de noordzijde van de kerk.

Het oude huis van Louwe van der Velde is door de zoon Johannes vervangen door een nieuwe en hij noemde deze ‘de olle stee’. Indertijd werd een gedeelte van het oude huis verhuurd en in dit gedeelte ben ik geboren, zodat mijn wieg, maar het kan ook een stijfselkistje geweest zijn, nog geen 30 meter van de toren heeft gestaan.

Op de hoek van de Jellemaweg en de Holtweg woonde Geertje Staal. een zuster van vrouw Togtema. We vonden haar een heel aardige vrouw. Als we bij haar huis speelden, kwam zij altijd even naar buiten om een praatje met ons te maken en meestal kwam er een snoepje tevoorschijn uit een split van haar rok, waaronder een zak hing.

Aan de westzijde van de kerk, vlak tegenover de toren, woonde ôlle Geeske. Zij had een snoepwinkeltje en was ruimer gesorteerd dan vrouw Togtema. Haar specialiteit was koekjes met gekleurde suiker wat je er zo lekker af kon likken. De verlichting in de winkel bestond uit een staande petroleumlamp. Een jongen, niet behorende tot ons ‘clubje’ heeft eens die lamp uitgeblazen, een greep in een snoeptrommel gedaan, waarna hij de benen nam. Dit is hem slecht bekomen. Veldwachter Leistra heeft hem behoorlijk onder handen genomen.

Aan de oostzijde van de kerk stond ook slechts één huis, welke bewoond werd door schoenmaker Friesenhaan. De huizen van Friesenhaan en Geertje Staal staan er nog.

Aan de noordzijde van de kerk waren de tuin van de pastorie en die van een perceel aan de Schoolstraat en dit is nog zo. Rondom de kerk stonden hoge bomen, welke alle verdwenen zijn. Ze zijn nog te zien op een drietal foto in het fotoboek van Zuidhorn op blz. 12, 13 en 16.

De toegang tot het kerkhof werd, voor wagens en karren, verhinderd door de nauwe ingangen aan de zuidzijde en de granieten palen en hokjes aan de noordzijde. Deze  obstakels. welke er nu nog zijn, werden kerkkruuske genoemd. De palen. stangen en het hokje in het midden leenden zich uitstekend voor allerlei spelletjes. zoals voetje van de grond, paaltje wisselen, kopje buitelen ed.

De kerkkruuskes fungeerden ook vaak als honk bij het haasje jagen en verstoppertje spelen. Bij het haasje jagen werd de helft van de jongens aangewezen als haas, de andere helft als hond. De hazen moesten hun pet opzetten met de klep naar achteren, ten teken dat ze haas waren.

Ze kregen 100 tellen voorsprong en dan joegen de honden er achter aan. Zo nodig gingen de klompen er bij uit om sneller te kunnen lopen. Die klompen waren toch wel erg gemakkelijk. Je kon er uit drinken en er ook een meningsverschil mee beslechten. Er werd het hele dorp door gejaagd tot de laatste haas gevangen was en als je dan met de tong uit de mond bij de honk terug was dan ging je meestal eerst water drinken bij de grote pomp op het ‘ ‘putsplak’ . Bij het ‘kerkkruuske’ aan de westzijde, in de op hoek van de Schoolstraat/Kerkstraat, waar nu het perceel Schoolstraat 13 staat, stond een oud huis waarvoor een grote uitheems lijkende boom, waaraan oranje/rode slijmerige bessen groeiden, welke eetbaar waren. Deze boom werd de ‘snottebel-boom’ genoemd. Onder de boom stond een grote, met hout omklede pomp met een ijzeren zwengel. Aan deze pomp (put) was de naam ‘putsplak’ ontleend. De steunberen van de kerk en toren leenden zich uitstekend voor verstoppertje spelen en je kon je zo lekker op je buik liggend, achter de grafzerken verstoppen.

Langs het pad aan de noordzijde van de kerk lag een diepe slink. Deze had een aftakking, welke diende als scheiding tussen de pastorietjes en de huizen aan de School straat en doorliep tot aan de muur waarachter nu een peuterspeelzaal is. Langs deze slink stonden hazelaars.

Hier zochten we hazelnoten, maar dit was meer het middel om tot het doel te komen. Aan het einde van die slink was namelijk de appelhof van de pastorie. Ja. dan moest je toch wel even proberen of de appels of bessen rijp waren en dan nam je gelijk een paar mee voor morgen.

Noord-oostelijk van de kerk waren een paar grafzerken.

Eén ervan was die van de officier Pieter Bindervoet en zijn vrouw Josina Clant. Omdat Bindervoet geen blauw bloed had mochten ze niet in de kerk begraven worden. Rondom deze grafzerken stonden coniferen en ’t geheel bood een mooie plaats om plannen te bespreken en om de appels of bessen uit de pastorietuin op te peuzelen. In die tijd werd de klok nog niet electrisch geluid, maar moest met handkracht bediend worden. We mochten wel eens meehelpen de klok te luiden, maar alvorens je de slag te pakken had, was je wel een paar keer door het touw mee omhoog gesleurd.

Onder in de toren was ook een gelegenheid een arrestant op te sluiten. lk weet niet of het er nog is. Het was steeds weer een belevenis als we van de gemeentetimmerman Dreize of Ploeg mee mochten in de toren. We mochten dan mee tot het eerste luikje. Je kon dan over het hele dorp heen kijken. Dat kan nu niet meer, want het dorp heeft zich zo uitgebreid in noord-noordwestelijke richting, dat men zich niet gehouden heeft aan het spreekwoord: ‘de kerk midden in het dorp laten’. Mogelijk dat de vroede vaderen van Zuidhorn daar in de toekomst wat aan gaan doen.