Stoomgrutterij de Zevenster

Stoomgrutterij ”De Zevenster”

 

Naast de melkfabriek, stroschuur en sigarenfabriek, had Zuidhorn nog een industrie en wel de stoomgrutterij ”De Zevenster” . Deze lag en ligt nog aan de Gast nr. 82 al is er veel veranderd. Het oude woonhuis is verdwenen en vervangen door een nieuw. De bedrijfsgebouwen zijn er nog, hoewel de fabriekspijp is gesloopt als zijnde overbodig. De machinekamer wordt nu gebezigd voor andere doeleinden. In 1889 kocht Jan Riekus Luth dit bedrijf van de gebroeders de Vries. Op de voorgevel van het woonhuis stond vermeld: ”stoomgrutterij De Zevenster”. Op de meelzakken was ingedrukt: ”Stoommeelfabriek en Koren- molen ”De Zevenster” en daaronder: (Statiegeld 30 cent).

In 1926 overleed J. R. Luth en namen de zoons Geert en Harm het bedrijf over. In het bedrijf werkte ook nog een derde zoon, Jan. De gebroeders de Vries hadden alleen verkoop van veevoer en een mosterdmalerij. Luth begon met de grutterij en dan in hoofdzaak het pellen van haver.

Er ontstond dan havergort, hetwelk o.a. door slagers wordt gebruikt voor het maken van leverworst (boerenleverworst). Naderhand werd begonnen met het pellen van gort en het malen van tarwe- en roggebloem. Zaterdags was het een bedrijvigheid van jewelste, want dan kwamen de boeren met wipkarren vol koren, erwten en bonen om deze tot veevoer te laten vermalen. Jan Luth was de molenbaas en bloemmaler. Harm deed de administratie en hii was ”bij de streek” (in- en verkoop), terwijl Geert de voerman was. Hij bezorgde de produkten bij de bakkers, winkeliers enz. met paard en wagen (een korre met een geelachtig belgisch paard ervoor), welke in 1926 werd vervangen door een vrachtauto. Een T-Ford, kosten f 1500.- incl. laadbak. Marten Bakker was de grutter.

Hij werkte 27 jaar in het bedrijf. Machinist was Roelf Jager. Als jongens stonden we vaak bij de machinekamer te kijken . welke een bijzondere aantrekkingskracht op ons had. Binnenkomen mochten we niet. In de fabriek mochten we wel kijken en soms mochten we helpen om plaatjes in de papieren meelzakken te doen. Behalve in balen werd de bloem ook verkocht in papieren zakken van 1 en |/2 kilo.

In iedere zak werd dan een plaatje gedaan en dat mochten wij dan doen op een vrije morgen of middag of in de schoolvakantie. Op de plaatjes stonden vogels en bloemen.

Het verpakken van tarwebloem geschiedde door drie personen. n.l. een inschepper, een weger en een dichtknipper. Wij stonden dan tussen de laatste twee. Als beloning kregen we een stapel plaatjes. waarmee we de koning te rijk waren. Een belangrijk onderdeel van het bedrijf was in die tijd de fabricage van mosterd. Bestanddelen : mosterdzaad, wei en zout. Wei, ook wel hui genoemd, is een produkt, dat overblijft bij de bereiding van kaas. De wei werd betrokken van de zuivelfabriek Grijpskerk. Er werden jaarlijks, in één keer, 60 vaten ontvangen in de maand juni en deze vaten bleven tenminste 1 jaar staan. De wei was dan dubbel zuur geworden.

Een vereiste was dat de wei was geproduceerd in de maand juni. Er was dus steeds een voorraad, welke 1 jaar oud was. De molenstenen welke gebruikt werden bij het begon malen van mosterdzaad. waren van zandsteen. De onderste steen lag vast (zgn. ligger of doodsbed), de bovenste draaide. De groeven waren erg ondiep omdat mosterdzaad erg fijn is. De molenstenen waren ingebouwd in een soort houten stoel, waarop een bak met mosterdzaad en één met wei. Het zaad en de wei liepen gelijktijdig tussen de molenstenen en vloeide er als een drab weer onder uit in een vat. waarna er drie pond zout bijgevoegd werd. Dit product bleef ongeveer 5-7 dagen staan. Ze was in die periode tot ongeveer 2/3 geslonken en werd dan nog eens overgemalen om vervolgens in flesjes verpakt te worden.

Dit waren heel leuke buikige en bewerkte flesjes. Er kwam een zeer grote platte kurk op waarna ze werden afgesloten met lak. In de lak werd dan nog eens de firmastempel gedrukt. Het etiket vermeldde ook nog dat de mosterd in 1909 op een tentoonstelling in Zuidhorn was bekroond.

De wei werd later vervangen door azijn. In 1940-1945 werd de fabricage van mosterd gestaakt. Dit gedeelte van bedrijf werd overgedragen aan de mosterdfabriek ”De Marne” te Kloosterburen. Een 25000 etiketten werden mee  overgedragen, voor het geval er nog uitdrukkelijk zou worden gevraagd naar mosterd van “De Zevenster”.

Ettelijke jaren nadien kon men nog Zevenster mosterd tegenkomen , gemaakt door “De Marne” .

Tot dusver werd nog niet genoemd de bedrijfsleider, Hendrik van der Molen. Hij heeft het gepresteerd om 60 jaar in dit bedrijf te werken en heeft hier een hoofdrol vervuld. In de oorlogsiaren 1940-1945 kwam dit wel heel sterk tot uiting.

De boeren, die koren verbouwden. kregen een premie, evenals de mensen die aren zochten. Dit hield in dat men via de plaatselijke bureauhouder, Ru Weitering, op een legale wijze een bepaalde hoeveelheid koren mocht laten verwerken tot bv. bloem, gort of havermout. Als arenlezer moest men een verklaring hebben van de boer op wiens land men aren had gezocht. Zo kreeg ik een verklaring van boer J.G. Datema van “Osseweide” zonder één aar gezocht te hebben. Een methode om illegaal iets legaal te maken. lk leverde een half mud tarwe en een half mud

Haver in en ik kreeg gelijk van Hendrik van der Molen de hiertegenover staande

hoeveelheid tarwebloem en havermout mee terug. Er was steeds voorraad. want het zal  duidelijk zijn, dat de molen niet voor ieder  half mudje kon draaien. Van de omzet in de oorlogsjaren 1940-1945 werd meer dan de helft illegaal doorgedraaid en afgeleverd. Legaal of illegaal, de goede Nederlander klopte in die tijd nooit voor niets aan. In voornoemde oorlogsjaren werd er met drie ploegen van acht man gewerkt, waaronder veel jongens van 17-18 jaar. die opgeroepen zouden worden voor de door de duitsers ingestelde arbeidsdienst. Het bedrijf werkte voor de voedselvoorziening, wat inhield dat de in het bedrijf werkende personen  vrijgesteld waren van tewerkstelling in Duitsland en arbeidsdienst. Zo werden veel jongelui geholpen. De ouders van deze jongens verlangden geen loon, maar ze kregen toch f 10.- per week, ondanks dat men soms meer lasten dan lusten van deze  knapen had. Het doel was de jongens uit handen van de duitsers te houden en hierin slaagde men volkomen.

Goed werk van de Fa. Luth en medewerkers. Komische momenten komen er in ieder bedrijf voor. Zo ook bij ”De Zevenster” Achter het ketelhuis is ”het huuske”

Waar koren verwerkt wordt kan men ook ratten en muizen verwachtcn. Een rat had een schuilplaats gezocht in het huuske en toen Marten Bakker hier ook even rust zocht voelde de rat zich kennelijk bedreigd. Uitgaande van het standpunt dat aanval de beste verdediging is, beet hij Bakker in een zeker lichaamsdeel met gevolg dat Bakker ineens met de broek op zijn hakken voor het huuske stond.

De rat was inmiddels gevlucht in een afvoerbuis, welke uitmondde in het koelwatergat van het ketelhuis. Het was duidelijk dat die rat na zo’n vergrijp er aan moest geloven. Als er met een lange stok in de afvoerbuis gepord werd zou de rat aan de zijde van het koelwatergat er uit moeten komen waar van der Molen hem zo met de hand zou grijpen. Het liep echter iets anders dan er gepland was. Door een misgreep belandden van der Molen èn de rat in het water. Uiteindelijk heeft de rat toch het loodje moeten leggen. In 1940 werd het bedrijf overgenomen door Reinier Luth en in 1958 door T. Kuipers.

 

Overgenomen uit het boek Herinneringen aan Zuidhorn geschreven door dhr J. de Wit