Verkeer, de postkoetsen

Verkeer: de postkoetsen

 

Zuidhorn was een centraal punt voor de posterijen en dit gold niet alleen voor het telegramverkeer, maar ook voor al het normale briefverkeer en dit vond plaats met postkoetsen. Zo reed er een postkoets op Leek-Tolbert en één op Niebert|-Nuis-Marum-Opende-Grootegast. Dat Zuidhorn al een centraal punt was, had ze te danken aan haar ligging aan de spoorlijn. Verder reed er ook nog een postkoets op  Ezinge-Oldehove. Eén van de koetsiers op de postkoets naar Leek-Tolbert was een zekere de Beer. Hij woonde aan  de Jellemaweg (nu nr. 30). Dit perceel werd toen bewoond door de families Pluister en de Beer. Achter het huis was een grote schuur waar de koetsen stonden en waar ook de paarden werden gestald. Ook werden paarden en koetsen ondergebracht in een schuur in de Nieuwstraat, welke lag achter het huis van schoenmaker Wilkens en later kruidenier Geertsema (nu Nieuwstraat 13). De postkoetsen reden op vastgestelde tijden vanaf het postkantoor en het station.

Op de postkoets Zuidhorn-Niebert-Marum reed in de jaren rond 1908-1909 o.a. Jans Nanninga. Zijn dochter, Hil, geb. 18 maart 1897, thans wonende te Groningen, vertelde mij hieromtrent het volgende:

“Vader en moeder hadden een kruidenierswinkel in de Nieuwstraat (nu zuivel- huis Mulder op nr. 20). Moeder dreef de winkel en vader was koetsier op één van de volgkoetsen. Deze postdienst werd geexploiteerd door een oom van mijn vader, die een bakkerij annex molen had te Niebert. Deze plaats was een rustpunt in de route. Er reed een postbeambte mee, die de post afgaf en in ontvangst nam op de tussenliggende plaatsen. Ongevaarlijk was het niet in die tijd en daarom had de koetsier een geweer naast zich op de bok. Er werd gestart vanuit Zuidhorn des middags om twaalf uur.

De route was dan Faan-Niekerk-Oldekerk-Boerakker-Niebert, alwaar men om zes uur moest zijn. Dan was het zes uur pauze, waarbij mensen en paarden konden eten, drinken en rusten. Om twaalf uur ’s nachts werd weer je ingespannen Om verder te gaan via Nuis-Marum-Opende-Doezum-Grootegast-Niekerk naar Zuidhorn, waar men s ochtends om zes uur diende aan te komen. Dan volgde is weer een rustpauze tot twaalf uur ’s middags om dan weer te vertrekken voor de volgende rit. Zo ging het iedere dag”, aldus mej. Nanninga.

Voorzover er plaats was, konden ook passagiers meerijden. Zo reed in 1913 de farnilie Ph. van der Hoek mee van Niekerk naar het station in Zuidhorn, toen zij verhuisden naar Hasselt. Koetsier was toen een zekere Veenstra, die woonde in één van de witte huisjes aan de Klinckemalaan, welke plaats hebben moeten maken voor ”Het Zonnehuis”. De postkoets op Ezinge-Oldehove kon eigenlijk geen aanspraak maken op die naam. Het was een sjees met een kap erop en één zwart paard ervoor. De koetsier woonde in Ezinge.

De passagiersvervoer was dan ook wel erg beperkt.

Er was overigens geen rechtstreeks vervoer tussen Zuidhorn en Ezinge-Oldehove. Wilde men naar één van deze plaatsen dan moest men eerst met de trein naar Groningen om dan verder van een snik of bodewagen gebruik te maken. De 88-jarige mevrouw A. Koopmans-Wegter vertelde mij dat zij als kind wel eens naar familie in Ezinge ging. Zij ging dan met de bodewagen van Job Datema naar Groningen (kosten tien cent). Job leverde haar dan, als een pakje, af  bij de snik naar Ezinge. Na één of meer dagen verblijf in Ezinge, kwam ze dan met de postsjees terug Zuidhorn. Een hele rondreis dus. Zo’n reis, via Groningen, zal wel beperkt zijn gebleven tot kinderen en personen die slecht ter been waren, want in die tijd draaide men de hand niet om voor een wandeling van zo’n 15 tot 20  kilometer. Met de aanleg van de tramdienst Groningen-Drachten raakten de plaatsen in het zuidelijk Westerkwartier uit hun isolement. Hetzelfde gold voor Oldehove-Ezinge en de aan de weg naar Groningen liggende plaatseen toen er een autobusdienst naar Groningen kwam. Met de de postkoetsen was het toen gedaan. Wel herinner ik mij nog dat er altijd een postbode uit Niekerk kwam met een zak vol post op zijn fiets. In het huis waar de koetsier de Beer woonde aan de Jellemaweg, woonde later Antje Overkamp. Zij was een klein vrouwtje, dat met koffie en thee ventte. Ook bezorgde zij pakjes voor van Gend en Loos, welke met de trein waren aangekomen. Dit waren geen postpakketten. Zij deed de bezorging met een karretje, gebouwd op een onderstel van een kinderwagen.

Toen het haar te machtig werd nam Reinder Overkamp de zaak van haar over. deze was een gepensioneerd KNlL-man. Hij kon het mooi zeggen. Als er eens een pakje beschadigd was, dan mopperde hij al bij voorbaat op wat hij te horen zou krijgen van de ontvanger van het pakje en als bij terugkomst op het station de beambte belangstellend vroeg hoe het afgelopen was met het beschadigde pakje, zei Reinder: ”dat heeft mij weer drie stuiver gekost, een dubbeltje voor het pakje ontvangen en voor een kwartje praatjes opgevreten”.